Pieterpad toegankelijker met rolstoelvriendelijke route van ruim 500 kilometer

Wie denkt aan het Pieterpad, denkt aan een lange wandeltocht van Groningen naar Limburg. Voor veel mensen met een lichamelijke beperking was dat avontuur tot nu toe buiten bereik. Sinds 28 mei is daar verandering in gekomen. Het bekendste langeafstandswandelpad van Nederland heeft nu een officiële rolstoelvriendelijke variant van ruim 500 kilometer. Daarmee ontstaat een nieuwe mogelijkheid om de Nederlandse natuur van Pieterburen tot Sint-Pietersberg te beleven.

Avontuur in de natuur voor meer mensen

Voor veel wandelaars is een bospad vanzelfsprekend. Voor veel rolstoelgebruikers eindigt een route vaak zodra het asfalt ophoudt. De nieuwe Pieterpad Rolstoelroute wil juist dat verschil verkleinen.

De route is ontwikkeld voor mensen die gebruikmaken van all-terrain hulpmiddelen, zoals offroad rolstoelen, scootmobielen, rollators en kinderwagens. Dankzij brede profielbanden en elektrische ondersteuning worden ook onverharde paden toegankelijker.

Een groot deel van de 1,4 miljoen Nederlanders met een lichamelijke beperking krijgt hiermee toegang tot natuurgebieden die voorheen moeilijk bereikbaar waren. Niet alleen verharde paden, maar ook bosgebieden, heidevelden en heuvelachtig terrein maken onderdeel uit van de rolstoelvriendelijke route.

Twee jaar ontwikkelen, verkennen en aanpassen

De afgelopen twee jaar werkte stichting Moving Beyond Limits samen met verkenners uit de doelgroep en Stichting Pieterpad aan de ontwikkeling van de route.

Daarbij werd niet alleen gekeken naar de kwaliteit van de paden. Ook praktische zaken kregen aandacht, zoals toegankelijke toiletten, accommodaties, bereikbaarheid en informatievoorziening. Daarnaast werkten organisaties als Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en verschillende Nationale Parken mee aan het wegnemen van obstakels op de route.

Van het oorspronkelijke Pieterpad kon uiteindelijk 84 procent behouden blijven. Voor plekken waar blijvende belemmeringen aanwezig zijn, zoals trappen, steile hellingen of uitgesleten paden, zijn alternatieve trajecten ontwikkeld. In totaal gaat het om 82 kilometer aan omleidingen.

Het resultaat is volgens de initiatiefnemers de langste rolstoelvriendelijke wandelroute van Europa. De route wordt een vast onderdeel van het officiële Pieterpad en bestaat uit 26 etappes die zijn ingedeeld op moeilijkheidsgraad, vergelijkbaar met het kleurensysteem van skipistes.

Inclusieve natuur vraagt blijvende aandacht

De opening van de route laat zien hoeveel verschil gerichte aanpassingen kunnen maken voor de toegankelijkheid van wandelroutes. Tegelijkertijd onderstrepen de initiatiefnemers dat er nog veel werk te doen is.

“Natuur is van iedereen, maar niet altijd voor iedereen”, zegt initiatiefnemer David Opdam van Moving Beyond Limits. De stichting wil de komende jaren verder werken aan toegankelijk wandelen en avontuurlijke recreatie in Nederlandse natuurgebieden.

Ook voor Stichting Pieterpad betekent de nieuwe route een belangrijke stap. Directeur Maarten Goorhuis zegt daarover: “Tot voor kort had ik gezegd dat het onmogelijk is om het Pieterpad in een rolstoel af te leggen. Het is fantastisch dat het avontuur van een lange afstandswandeltocht door Nederland nu ook voor deze doelgroep binnen bereik komt.”

Bron: Stichting Pieterpad

“De domeinen gezondheid en de fysieke kant vinden elkaar steeds beter”

Sophie Rijsman en Peternel Mereboer

GGD Gelderland-Midden is de eerste GGD die zich bij onze partners voegde. Waarom? “We vinden al een tijd dat we meer moeten samenwerken. Sinds de komst van de Omgevingswet gebeurt dat ook eindelijk geleidelijk meer. Peternel Mereboer en Sophie Rijsman vertellen in dit interview over hun redenen om zich aan te sluiten bij het Nationaal Masterplan Lopen.

Vanuit hun werk zien beiden dagelijks hoeveel impact de fysieke leefomgeving heeft op gezondheid. Tegelijkertijd merken ze dat gezondheid, ruimtelijke ontwikkeling en mobiliteit binnen veel gemeenten nog eilandjes zijn die mijlenver van elkaar liggen. Binnen Ruimte voor Lopen hopen ze die eilandjes te verbinden. “Juist die verbinding hebben we hard nodig om lopen vanzelfsprekender te maken.”

Gezondheid schuift steeds vaker aan bij ruimtelijke plannen

Mereboer en Rijsman werken beiden als adviseur gezonde leefomgeving; samen adviseren ze 15 gemeenten in hun regio. Over thema’s als beweegvriendelijke leefomgeving, klimaatadaptatie, luchtkwaliteit, groen en sociale cohesie. Daarbij kijken ze nadrukkelijk naar de relatie tussen ruimtelijke keuzes en gezondheidseffecten op de lange termijn. “We werken allebei op het thema gezonde leefomgeving,” legt Rijsman uit. “Hoe kan de leefomgeving de gezondheid van inwoners beschermen énuitnodigen tot gezond gedrag?”

Dat raakt aan het domein ruimtelijke ontwikkeling. “Daarom schuiven we als GGD vaak aan bij gesprekken over gebiedsontwikkeling en omgevingsvisie”, legt Mereboer gevat uit. “We zitten dan écht aan tafel met de partijen die over deze thema’s beslissen. Bij nieuwbouwplannen van gemeenten en het maken van Omgevingsvisies denken wij mee. Daarbij nemen we ook gezondheidsbevorderende aspecten mee. Bijvoorbeeld de hoeveelheid ruimte voor bewegen, lopen en ontmoeten.”

Invloed Omgevingswet

Voorheen had gezondheid een minder grote rol bij zulke plannen. De Omgevingswet bracht daar verandering in. “De gemeente moet bij nieuwbouwplannen het belang van gezondheid meewegen. Het onafhankelijk advies van de GGD helpt bij deze afweging.” Rijsman vult aan: “Door deze wet is gezondheid een steeds nadrukkelijker – en vanzelfsprekender – onderdeel van ruimtelijke keuzes. Het gaat niet alleen om het aantal woningen dat je bouwt, maar vooral om hoe mensen zich straks door hun wijk bewegen. Een winkel, huisarts of school op loopafstand maakt een wereld van verschil.”

Ruimte voor Lopen brengt nieuwe werelden bij elkaar

Volgens Rijsman en Mereboer bevestigt het Nationaal Masterplan wat zij zien: lopen is allang niet meer een onderwerp van alleen verkeer of mobiliteit. Wij zien juist hoe verschillende domeinen steeds meer naar elkaar toegroeien binnen dit onderwerp. “Wel is het zo dat veel andere partners uit de ruimtelijke sector komen”, merkt Rijsman op. “Voor ons is dat juist een heel ander perspectief. “ Mereboer bevestigt dat: “De samenwerking tussen gezondheid en de fysieke kant is in veel gemeenten nog niet ergens belegd.”

Een andere kijk voor Ruimte voor Lopen

Aan de andere kant brengt het gezondheidsperspectief ook een andere blik mee voor Ruimte voor Lopen. Door vooral te kijken naar wat lopen oplevert voor de gezondheid. En dat gaat volgens Rijsman verder dan alleen de beweging op zich. “Minder autogebruik betekent niet alleen minder drukte op de weg, maar ook schonere lucht en minder geluidoverlast. Luchtverontreiniging is nu één van de grootste risico’s voor onze gezondheid. Dus elke keer dat iemand de auto laat staan en kiest voor lopen, draag je direct bij aan een gezondere leefomgeving.”

Raakvlak met mentale gezondheid en sociale cohesie

Daarnaast raakt lopen ook de thema’s mentale gezondheid en sociale cohesie. Rijsman noemt het belang van autonomie en ontmoeting in de wijk. “Dat je niet afhankelijk bent van een bus die één keer per uur gaat. Als je meer autonomie hebt in waar je gaat en staat, heeft dat positieve invloed op je mentale gezondheid.” Ook kleine ontmoetingen in de openbare ruimte maken volgens haar verschil. “Als je kan creëren dat mensen elkaar in de wijk tegenkomen, ook al is het een paar minuten een praatje, kan dat al veel impact hebben. Bij lopen gebeurt dat sneller, omdat je vertraagt.”

De fysieke leefomgeving bepaalt mede hoe gezond mensen leven

De beide adviseurs zien interessante ontwikkelingen in hoe de maatschappij als geheel kijkt naar gezondheid. Vroeger lag de nadruk in hun ogen te veel op individueel gedrag: genoeg bewegen was je eigen verantwoordelijkheid. Tegenwoordig groeit het besef dat de overheid daarin een faciliterende rol heeft. “De inrichting van de leefomgeving is belangrijk voor je gezondheid”, klinkt het unaniem.  Zorg ervoor dat de volgende zaken kloppen in jouw gemeente:

  • De openbare ruimte moet uitnodigen tot bewegen;
  • Voorzieningen en activiteiten moeten op loopafstand zijn;
  • En er moet beleid komen waarin lopen en andere vormen van actieve mobiliteit een structurele plek heeft.

Dat die shift er is en nog meer moet doorkomen, zien ze ook terug in de cijfers. “In onze regio haalt maar 50% van de mensen de beweegnorm”, vertelt Rijsman. “Dan kun je niet meer volhouden dat mensen het met individueel gedrag moeten oplossen. Dat zij zelf verantwoordelijk zijn om meer te lopen.”

Samen werken aan een loopvriendelijke leefomgeving

Voor Rijsman en Mereboer laat het Nationaal Masterplan Lopen zien dat steeds meer domeinen elkaar beginnen te vinden rond hetzelfde doel: een leefomgeving waarin lopen vanzelfsprekender wordt.  En precies daarin zit volgens hen de kracht van Ruimte voor Lopen en het Nationaal Masterplan Lopen: verschillende werelden samenbrengen om Nederland stap voor stap wandelvriendelijker, gezonder en socialer te maken.

Lopen begint in de klas: interesse in een gastdocent?

Wilma met onscreen tekst: ruim twintig experts, op maat gemaakte gastlessen - lopen in het onderwijs.

Lopen krijgt pas echt vaart als het een vaste plek krijgt in het onderwijs. Niet als bijzaak, maar als volwaardig onderdeel van hoe we steden, dorpen, straten en pleinen ontwerpen. Precies daar zetten onze gastdocenten op in.

Een groeiend netwerk van expertise

In een nieuwe video vertellen zes van de ruim 20 gastdocenten van Ruimte voor Lopen hoe zij opleidingen helpen om lopen te verankeren in het curriculum. Hun kennis loopt uiteen van loopbeleid en gebiedsontwikkeling tot data, veiligheid, toegankelijkheid en groen. Die breedte is geen toeval. Juist die combinatie helpt studenten om anders te kijken naar de openbare ruimte en de rol van de voetganger daarin serieus te nemen. Het netwerk groeit snel, maar is nog niet overal bekend. Daarom werken we aan meer zichtbaarheid en een vast ritme van gastlessen, zodat lopen structureel onderdeel wordt van opleidingen zoals verkeerskunde, gezondheid en sport & bewegen.

Ineke Spapé

Gezinnen meer laten lopen?

“Lopen is supergezond. Voor ouders en voor hun kinderen.” Zo benadrukt Ineke Spapé, directeur en emeritus professor SOAB Consultants and Breda University of Applied Sciences (BUas). In haar woorden klinkt door dat het niet vanzelf gaat: als je wilt dat gezinnen meer gaan lopen, “moet je iets doen aan de omgeving, aan campagnes en aan voorlichting.” In haar gastcolleges laat Ineke zien hoe je dat slim en effectief aanpakt.

Gebiedsontwikkeling begint bij de voetganger

“Meer ruimte voor gebiedsontwikkeling, het moet en het kan!” Met die boodschap laat Frank Hart van partner Wandelnet studenten nadenken over de plek van lopen in nieuwe wijken, stationsgebieden en openbare ruimte.

Als belangenbehartiger lopen kijkt Frank naar gebiedsontwikkeling vanuit de voetganger. In zijn gastcolleges bespreekt hij “wat het oplevert” als je lopen vanaf het begin meeneemt in plannen. Ook laat hij zien “welke principes je hanteert als je de voetganger centraal stelt in gebiedsontwikkeling.”

Toegankelijkheid als blinde vlek

“De weg moet voor iedereen toegankelijk zijn,” stelt Maureen Walen. Als adviseur bij Zicht op Toegankelijkheid laat zij zien hoe vaak toegankelijkheid nog wordt vergeten. “Ook als je minder goed ziet, minder goed kan lopen of het minder goed begrijpt.” In haar gastlessen maakt ze dit concreet. Ze laat zien hoe je een buitenruimte ontwerpt die logisch en bruikbaar is voor iedereen. Want nog te vaak ontwerpen we voor de norm, terwijl een wandelvriendelijke omgeving juist vraagt om inclusiviteit. Voor opleidingen ligt hier een duidelijke kans om die blinde vlek te dichten en studenten beter voor te bereiden op de praktijk.

Gedrag als sleutel tot verandering

“Ik geef les over loopbeleid,” zegt Marieke van Brussel. Ze stelt haar studenten direct een scherpe vraag: hoe geef je dat straks vorm in je werk? Vanuit haar rol bij Provincie Overijssel laat ze zien dat infrastructuur alleen niet genoeg is. Gedrag speelt een cruciale rol. Wat helpt mensen om te gaan lopen? Wat houdt ze tegen? En hoe vertaal je dat naar beleid dat werkt in het dagelijks leven? Met campagnes, kleine ingrepen en slimme combinaties van lopen en OV maakt ze die vertaalslag concreet en toepasbaar.

Meer veiligheid voor de voetganger

“Jaarlijks vallen er ruim 100 doden en zo’n 20.000 gewonden onder voetgangers bij verkeersongevallen. Dat zijn geen cijfers, dat zijn mensen,” zegt André de Wit. Met zijn jarenlange ervaring bij onder meer de Gemeente Den Haag, Rotterdam, Deelgemeente Charlois, DTV en als coördinator bij Veiliger Verkeer Nederland, haal je met hem een doorgewinterde loopexpert in huis. Zijn missie als gastdocent: studenten leren hoe je de openbare ruimte zó ontwerpt dat deze objectief en subjectief veiliger wordt. In zijn gastlessen maakt hij duidelijk hoe groot de rol van ontwerpkeuzes is: van overzichtelijke oversteekplaatsen tot snelheid-remmende maatregelen. Want onveiligheid gaat niet alleen over wat er feitelijk gebeurt, maar ook over wat mensen voelen. Pas al beide kloppen, ontstaat een veilige loopomgeving.

Lopen wordt pas vanzelfsprekend als kennis, beleid en praktijk samenkomen. Het gastdocentennetwerk van Ruimte voor Lopen draagt daar direct aan bij. Het sluit naadloos aan op het Nationaal Masterplan Lopen, waarin het doel helder is: lopen positioneren als een volwaardige en vanzelfsprekende vorm van mobiliteit en leefomgeving.

Van ambitie naar uitvoering: Arnhem werkt aan een echte loopstad

Hoe maak je van lopen een vanzelfsprekend onderdeel van stedelijk beleid? Arnhem geeft daar een concreet antwoord op met het nieuwe loopbeleid én een uitvoeringsagenda met 22 maatregelen, planning en budget. Daarmee kiest de stad nadrukkelijk voor een aanpak waarin lopen niet losstaat van andere opgaven, maar juist verbonden wordt aan gezondheid, openbare ruimte, bereikbaarheid en leefbaarheid.

Van mobiliteitsplan naar loopbeleid

De basis voor het Arnhemse loopbeleid werd gelegd in het Duurzaam Mobiliteitsplan. Daarna volgde een uitgebreid traject waarin verschillende beleidsvelden, organisaties en belangengroepen werden betrokken.

Annemieke Molster, bestuursadviseur mobiliteit bij de gemeente Arnhem, dacht na over wat de gemeente kan doen om van Arnhem een echte loopstad te maken: “1000 ideeën borrelen op, maar wat is het hardste nodig? Wat is de samenhang tussen alle maatregelen? Hoe wordt het een sterk verhaal dat doelen van allerlei verschillende beleidsvelden samenbrengt en tegelijk verankerd is in het vorig jaar vastgestelde Duurzaam Mobiliteitsplan?”

Juist die zoektocht naar samenhang maakt de Arnhemse aanpak interessant. Het loopbeleid raakt namelijk aan veel meer dan alleen mobiliteit. In het document worden ook gezondheid, klimaat, sociale cohesie, recreatie en toegankelijkheid expliciet genoemd. Die brede aanpak zie je ook terug in de partijen die betrokken waren bij de totstandkoming. Van Wandelnet tot het Arnhems Platform voor Chronisch zieken en Gehandicapten, van ondernemersorganisaties tot het sportbedrijf.

Een loopvriendelijke stad vraagt om detailniveau

Sterk aan het Arnhemse beleid is dat het niet blijft hangen in algemene ambities. Het document benoemt heel concreet waar voetgangers in de stad tegenaan lopen. Zo wordt beschreven dat grote wegen barrières vormen tussen buurten, dat goede oversteekplaatsen ontbreken en dat voetpaden regelmatig te smal zijn of worden geblokkeerd door obstakels. Ook sociale veiligheid wordt expliciet genoemd als reden waarom mensen soms liever niet lopen.

Een veelzeggende quote van een voetganger op het fietspad van station Arnhem Zuid richting werkgebied Gelderse Poort luidt: “Dan moet je eerst naar beneden en dan weer naar boven en dan een drukke weg oversteken en dan denk je: laat maar.” Juist dat soort dagelijkse ervaringen maken duidelijk waarom goed loopbeleid belangrijk is. Een wandelvriendelijke stad ontstaat niet vanzelf. Het zit vaak in relatief kleine ontwerpkeuzes die bepalen of lopen prettig, logisch en veilig voelt.

22 maatregelen met planning en budget

Om van visie naar uitvoering te komen, bevat de uitvoeringsagenda 22 acties, uitgewerkt langs 3 paden:

  • Pad 1: loopvriendelijke inrichting van de stad;
  • Pad 2: stimuleren van een loopcultuur;
  • Pad 3: lopende organisatie.

Sommige maatregelen bouwen voort op bestaand mobiliteitsbeleid, andere komen juist voort uit sport, recreatie of aangenomen moties.

Opvallend is hoeveel aandacht Arnhem besteedt aan kennisontwikkeling en monitoring. Arnhem wil onder meer voetgangers tellen op hoofdlooproutes, recreatieve wandelstromen monitoren en beter inzicht krijgen in valongevallen. Daarnaast werkt de gemeente aan een Arnhemse Ontwerpwijzer Beweegvriendelijke Openbare Ruimte. Die moet ontwerpers helpen om lopen en verblijf een logischere plek te geven in zowel bestaande wijken als nieuwe gebiedsontwikkelingen.

Arnhem laat zien hoe integraal loopbeleid eruitziet

Het Arnhemse loopbeleid sluit nadrukkelijk aan op landelijke ontwikkelingen zoals het Nationaal Masterplan Lopen en de City Deal Ruimte voor Lopen. De gemeente noemt lopen daarin niet alleen een vorm van mobiliteit, maar ook een manier om de stad gezonder, inclusiever en prettiger te maken.

Het volledige loopbeleid van Arnhem is hier te lezen.

Start van het inclusiepact: samenwerken aan toegankelijke openbare ruimte

Op 20 april ging het Inclusiepact Toegankelijke Openbare Ruimte van start. Een belangrijke stap richting een openbare ruimte waarin iedereen zich vrij en veilig kan verplaatsen. Niet alleen voor mensen met een beperking, maar voor álle voetgangers.

Lopen is de basis van hoe we ons verplaatsen. Of je nu onderweg bent naar werk, school of de winkel: een veilige en toegankelijke omgeving maakt het verschil. Denk aan brede stoepen, veilige oversteekplaatsen en duidelijke routes. Dat is belangrijk voor mensen met een beperking, maar net zo goed voor kinderen, ouderen en eigenlijk voor iedereen.

Verder bouwen op wat er al is
Tien jaar na de ratificatie van het VN-verdrag Handicap is er al veel gebeurd. Gemeenten, ervaringsdeskundigen en maatschappelijke organisaties zetten zich dagelijks in voor betere toegankelijkheid. Het Inclusiepact Toegankelijke Openbare Ruimte bouwt hierop voort, waarbij co-creatie, leren van elkaar en structurele verankering centraal zullen staan.

Binnen het pact werkt een gemeente samen met haar lokale ervaringsdeskundigen en met Visio Zicht op Toegankelijkheid. Die samenwerking zorgt voor waardevolle inzichten uit de praktijk. Want wie dagelijks obstakels ervaart, weet als geen ander wat beter kan. Door die kennis te combineren met beleid en ontwerp, ontstaan oplossingen die écht werken.

Brede aanpak: meer dan toegankelijkheid alleen
Wat het pact extra krachtig maakt, is de brede blik: toegankelijkheid wordt niet los gezien, maar gekoppeld aan mobiliteit, verkeersveiligheid, gezondheid en leefbaarheid. De betrokkenheid van onder meer de ministeries van VWS en BZK en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten onderstreept het brede commitment om toegankelijkheid gezamenlijk verder te versterken. Zo bouwen we samen aan een openbare ruimte waarin lopen vanzelfsprekend en aantrekkelijk is – voor jong en oud, met of zonder beperking.

Vijf gemeenten aan de slag
In deze eerste fase nodigen de initiatiefnemers vijf gemeenten uit die hun bestaande aanpak willen versterken. Met ondersteuning van Visio en ruimte voor eigen invulling werken zij aan praktische, duurzame verbeteringen. De lessen die zij opdoen, zijn straks waardevol voor andere gemeenten die ook werk willen maken van een toegankelijke en loopvriendelijke omgeving.

Meer weten of meedoen?
Meer weten over het inclusiepact of wil je als gemeente meedoen? Kijk op de website van Visio Zicht op Toegankelijkheid.

“We wilden geen brug, maar een opgetild park dat de stad verbindt” – Han Goodijk over passerelle Zwolle

Passerelle Zwolle

De nieuwe verbinding over het spoor in Zwolle is allesbehalve een standaardoplossing. Wat begon als een technische opgave, transformeerde tot een plek waar lopen vanzelfsprekend is. Ontwerper Han Goodijk van de gemeente laat zien hoe je met ontwerp niet alleen ruimte maakt, maar ook gedrag beïnvloedt.

Een nieuwe verbinding voor de stad

Zwolle groeit, vooral in het gebied achter het station (de Spoorzone). Daar komen duizenden woningen en nieuwe functies samen. Al heel lang bestond er het gevoel dat dit gebied losligt van de binnenstad. “Het spoor is echt een barrière,” klinkt Goodijk. “Om aan de andere kant te komen, moest je óf ver omlopen óf door de NS-tunnel met je OV-chipkaart. Niet handig; je wilt dat mensen zich onderdeel van de stad voelen.” Die ambitie vraagt om meer dan alleen een verbinding; het vraagt om een plek die logisch aanvoelt in je dagelijks gebruik. Niet iets waar je even overheen moet, maar iets dat onderdeel is van je route.

Van brug naar opgetild park

“In de allereerste brainstorm ontstond een opvallende gedachte”, blikt de ontwerper terug. “Geen traditionele brug, maar een openbare ruimte die doorloopt. Eigenlijk wilden we de straat gewoon optillen en over het spoor heen trekken.” Dat idee groeide uit tot wat je nu ervaart als een opgetild park. De bestrating loopt door, er zijn bomen, plantvakken en zitplekken. Alles precies zoals op de Stationsweg. Alles voelt vertrouwd, alsof je gewoon verder loopt door de stad.

Beweging als vanzelfsprekendheid

Een belangrijk uitgangspunt: de passerelle moet aanspreken om overheen te gaan. Goodijk: “Je wilt niet dat mensen denken: ‘zucht, daar moet ik nog overheen. Een ellenlange brug met keiharde wind in mijn gezicht.’ Je wilt dat mensen prettig van het ene punt naar het andere kunnen lopen. “Om die reden kreeg de brug een subtiele S-vorm: zo wordt de gezichtslijn beperkt. Je ziet nooit het einde, maar steeds het volgende stukje waar je naartoe gaat. Ondertussen veranderen je zichtlijnen. Je kijkt richting de Peperbus, daarna weer naar het station.”

Bovendien is de brug breder dan noodzakelijk: 10 meter. “Een bewuste keuze”, volgens Goodijk. “Het gaat niet alleen om doorstroming van voetganger, des te meer om verblijfskwaliteit.” Die extra ruimte geeft mooie mogelijkheden om groenvakken aan te leggen, bankjes neer te zetten en te verblijven. De filosofie erachter? “Dat maakt lopen minder doelgericht en juist aantrekkelijker.”

Onderdeel van een groter netwerk

De passerelle staat niet op zichzelf. Zwolle werkt al langer aan een stad waarin lopen een volwaardige plek krijgt. “Het gaat niet alleen om één plek, maar om een heel, netwerk,” zegt Goodijk. In zijn ogen is de passerelle een schakel in een fijnmazig netwerk van wandelroutes door de stad. “Zwolle past het STOMP-principe toe: voetganger en fietser staan voorop in de inrichting van de openbare ruimte.” Hij legt uit dat ze die methode heel nadrukkelijke gebruiken in het stadshart. Dat zie je terug in keuzes voor groen, toegankelijkheid en logische routes. Maar ook in wat je niet ziet: zo min mogelijk borden en bewegwijzering. “De ruimte zelf moet mensen verleiden om verder te lopen.”

In samenwerking met ProRail, ontwerpbureaus en Dura Vermeer

De mooie passerelle is geen soloproject van gemeente Zwolle: ProRail en ontwerpbureaus Karres en Brands, Ipv Delft en het Duitse Miebach werkten mee aan het ontwerp van de duurzame loopbrug. Dura Vermeer bouwde ‘m uiteindelijk. Daarbij keek het ontwerpteam heel nadrukkelijk naar inclusie en toegankelijkheid. “Hoe zorg je dat iedereen zich welkom voelt?” Dat vroegen ze zichzelf af, zo blikt Goodijk terug. “We hebben echt geprobeerd om de passerelle voor iedereen toegankelijk te maken.
De glazen balustrade maakt het mogelijk om ook zittend te kijken naar de treinen. Kleine keuzes, met grote impact op de beleving.”

Een uitnodiging om te lopen

Wat misschien nog wel het meeste opvalt, is hoe mensen de plek gebruiken. “Ze komen er niet alleen om over te steken”, vertelt Goodijk enthousiast lachend. “De brug zegt eigenlijk: kom, blijf. En dat gebeurt ook. Mensen maken speciaal omwegen, blijven even zitten of nemen spontaan een andere route.” De passerelle maakt daarmee zichtbaar wat goed loopbeleid kan doen: het verandert niet alleen de ruimte, maar ook hoe mensen die ruimte gebruiken.

Van bushalte tot buitengebied: dit maakt de Voetgangerscheck zichtbaar

Hoe wandelvriendelijk is een route eigenlijk? Dat lijkt een eenvoudige vraag, maar wie goed kijkt ziet dat de openbare ruimte voor verschillende mensen heel anders kan werken. Voor kinderen, ouderen of mensen met een toegankelijkheidsvraag kan een route ineens een obstakel worden. De Voetgangerscheck van Arcadis helpt gemeenten om dat zichtbaar te maken. In Amersfoort werd de methodiek toegepast bij vijf oversteken langs de Bunschoterstraat, een belangrijke verbinding tussen de stad en het buitengebied van Hoogland.

Een bushalte die niet voor iedereen bereikbaar is

Een van de plekken die werd bekeken is de bushalte Zeldertseweg langs de Bunschoterstraat in Hoogland. Tijdens de Voetgangerscheck worden alle aanlooproutes naar zo’n halte beoordeeld.

“Het uitvoeren van een voetgangerscheck houdt in dat wij, aan de hand van de voetgangersbehoeftepiramide, de openbare ruimte beoordelen,” vertelt Dennis van Sluijs van Arcadis. “We doen dit door op locatie een uitgebreide schouw uit te voeren waarin we verschillende routes en richtingen lopen. We verplaatsen ons tijdens de schouw in de belevingswereld van diverse voetgangers, bijvoorbeeld kinderen, ouderen en mensen met een toegankelijkheidsvraag.”

Tijdens de schouw bij de bushalte in Hoogland werd duidelijk dat deze niet voor iedereen goed toegankelijk is. De reden? De geleidelijnen voor mensen met een visuele beperking blijken niet volgens de huidige richtlijnen te zijn aangelegd. Daardoor kan deze doelgroep de bushalte niet gebruiken.

Eerst de basis op orde

De Voetgangerscheck werkt met de voetgangersbehoeftepiramide. Dat model laat zien dat eerst de basis op orde moet zijn voordat hogere kwaliteiten effect hebben.

In het buitengebied rond Hoogland bleek bijvoorbeeld dat op sommige plekken een stuk voetpad ontbreekt langs een parallelweg. Daardoor moeten voetgangers over de rijbaan lopen. Voor kinderen kan dat een reden zijn om een route helemaal niet te gebruiken, omdat het niet veilig voelt of ouders het niet toestaan.

Ook voor mensen met een toegankelijkheidsvraag kan onvoldoende beheer en onderhoud grote gevolgen hebben. Losliggende of verzakte tegels zorgen er bijvoorbeeld voor dat iemand in een rolstoel hier niet meer zelfstandig gebruik van kan maken.

Toegankelijkheid wordt vaak onderschat

Volgens Dennis wordt toegankelijkheid van de openbare ruimte nog te vaak onderschat: “Toegankelijkheid gaat namelijk om meer dan alleen mensen die slechtziend zijn of in een rolstoel zitten. Wij onderscheiden daarin vijf categorieën: mensen met een fysiek hulpmiddel, mensen met een zintuigelijke toegankelijkheidsvraag, mensen met een cognitieve toegankelijkheidsvraag, ouderen en kinderen.”

Veel van deze groepen worden volgens hem nog onvoldoende gezien in het ontwerp en beheer van de openbare ruimte.

“Veel van deze doelgroepen worden niet, of onvoldoende, gezien en gehoord in de openbare ruimte. Er zijn echt investeringen nodig om te voldoen aan het VN-Verdrag Handicap. Op elke plaats waar ik loop, of het nu tijdens werk of vrije tijd is, zie ik voorbeelden waar mensen met een toegankelijkheidsvraag niet zelfstandig gebruik kunnen maken van de openbare ruimte.”

“Verbeteringen voor mensen met een toegankelijkheidsvraag zijn voor bijna elke voetganger een verbetering.” – Dennis van Sluijs, adviseur Loopstromen & Voetgangers bij Arcadis

Van inzicht naar verbetering

De Voetgangerscheck leverde de gemeente Amersfoort concrete inzichten op. De gemeente gebruikt deze inzichten om de verbinding tussen stad en buitengebied te verbeteren. “De check gaf ons een beeld van de beloopbaarheid van de stad-land-verbindingen over de Bunschoterstraat,” vertelt Houkje Hibma, adviseur landschap en recreatie bij de gemeente Amersfoort. “Samen met de provincie gaan we kijken waar we aan de slag kunnen met snelle verbeteringen, bij de aanlooproutes naar de bushaltes bijvoorbeeld.”

Zo wordt aan de westzijde van de Bunschoterstraat gewerkt aan een nieuw wandelpad dat Hoogland beter verbindt met het omliggende landschap. Daarbij wordt ook gekeken naar extra voetpaden zodat de route veilig en toegankelijk wordt voor iedereen.

“We laten hier enorme gezondheidswinst liggen, terwijl de oplossing zo dichtbij is”

Rutger de Graaf over ruimte voor lopen voor ouderen.

“Tijdens mijn werk in de ouderenzorg zag ik dagelijks wat er gebeurt als bewegen uit beeld raakt.” Om die reden zet Rutger de Graaf zich bij partner Beweegalliantie in als cirkeltrekker voor ‘Ruimte voor Lopen voor ouderen.’

Wanneer het het hardst nodig is, verdwijnt lopen

Een cirkel die hard nodig is, want er is een patroon dat De Graaf maar al te goed herkent vanuit zijn zorgachtergrond. Hoe ouder mensen worden, hoe minder ze bewegen. “Het gekke is: juist als mensen op latere leeftijd komen, wordt lopen belangrijker. Voor lichaam en het brein. Toch verdwijnt het langzaam uit beeld. Niet per se omdat ouderen niet meer kunnen lopen, maar om dat ze drempels ervaren.”

Je ziet niet altijd wat mensen tegenhoudt te loepn

Wie denkt dat ouderen niet willen wandelen, kijkt volgens de beweeg-expert niet goed genoeg. De motivatie is er vaak wel, maar er zit iets onder. “Als iemand zegt: ik heb geen zin, dan is dat zelden het hele verhaal. Het kan iets praktisch zijn, zoals een groep die te snel loopt. Maar net zo goed iets persoonlijks. Schaamte bijvoorbeeld, of angst om onderweg naar de wc te moeten. Dat zijn geen onderwerpen die je snel bespreekt, maar ze bepalen wel gedrag. En dus ook of iemand de deur uitgaat of niet.”

 Ruimte voor Lopen voor ouderen - een wandelgroep

Daar komt bij dat het aanbod niet altijd aansluit. Veel wandelgroepen zijn gericht op fitte ouderen. Wie kwetsbaarder is, valt buiten de boot. “Juist de mensen voor wie het het belangrijkst is, haken daardoor af.” En dat terwijl het verschil tussen wel en niet bewegen groot is. Voor gezondheid, zelfstandigheid en sociale contacten.

Kleine ingrepen, groot effect

Met de cirkel Ruimte voor Lopen voor ouderen probeert De Graaf het tij te keren. Niet met grote systemen of losse projecten, maar juist met praktische oplossingen. Experimenten zijn er in Woerden en Zaanstad. Met themawandelingen bijvoorbeeld, waarin ontmoeten centraal staat. Of laagdrempelige wandelgroepen, begeleid en gratis. Maar misschien nog belangrijker: het gesprek aangaan. Tijdens die wandelingen vragen begeleiders actief wat mensen tegenhoudt. Wat ze nodig hebben. Wat er anders kan. “Dan merk je dat er vaak maar weinig nodig is om iemand weer in beweging te krijgen.” Soms is dat een rustiger tempo. Soms een vertrouwde begeleider. Soms gewoon de zekerheid dat je onderweg ergens terechtkunt bij een toilet.

Het zijn kleine aanpassingen, maar met grote impact. En misschien is dat wel de belangrijkste les. Dat de oplossing niet ingewikkeld hoeft te zijn. “Het is echt laaghangend fruit,” zegt De Graaf. “We hoeven het alleen te plukken.”

De kracht van een duwtje op het juiste moment

Een van de meest veelbelovende inzichten zit volgens De Graaf in de rol van zorgprofessionals. Niet zozeer als begeleider, maar als motivator. “Als een zorgverlener af en toe een zetje geeft, gebeurt er verrassend veel.” Dat kan al heel concreet zijn. Niet zeggen dat iemand meer moet bewegen, maar wijzen op een wandeling in de buurt. Of iemand daar actief naartoe doorverwijzen. Daarmee wordt lopen ineens iets tastbaars. Iets wat je kunt doen, op een plek die je kent, met mensen die bij je passen.”

Groot-Brittannië heeft die aanpak al verder ontwikkeld. Daar is ‘walking on prescription’ onderdeel van het zorgsysteem. “En wat je daar ziet, is dat het niet alleen gezonder is, maar ook financieel rendement oplevert.” Voor elke pond die ze investeren in bewegen/lopen, komt er 1,82 terug. Een opvallend cijfer dat laat zien hoeveel kansen er nog liggen.

Van losse initiatieven naar een vanzelfsprekende keuze

De ambitie van De Graaf is helder: wandelen moet geen uitzondering zijn, maar een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven. Ook als je ouder wordt. “Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat elke oudere weet: hier kan ik lopen, op een manier die bij mij past.” Daarvoor is meer nodig dan alleen aanbod. Het vraagt om samenwerking tussen gemeenten, zorg, welzijn en lokale initiatieven. Maar ook om een andere manier van kijken. Lopen niet als extraatje, maar als basis. Als onderdeel van actieve mobiliteit én van een wandelvriendelijke leefomgeving.

Hoe verschillende opvattingen van ruimte onze steden vormgeven

Wie naar een stad kijkt, ziet straten, stoepen en gebouwen. Maar volgens filosoof Dirk-Jan Laan is dat nog geen ruimte. Ruimte ontstaat pas wanneer mensen zich bewegen. Dat inzicht zet aan tot anders kijken naar hoe we onze steden inrichten.

Drie opvattingen van ruimte

Laan beschrijft drie opvattingen van ruimte die impliciet aanwezig zijn in de inrichting van onze openbare ruimte. De absolute ruimte is de meest technische: een wereld van vierkante meters, afstanden en efficiëntie. De relatieve ruimte kijkt naar verschillen tussen gebruikers. Zo ziet de stad er voor een automobilist anders uit dan voor een fietser of voetganger. De relationele ruimte ontstaat pas wanneer mensen zich bewegen en handelen in de tijd.

“Het gaat niet zozeer om welke opvatting ‘waar’ is. Het is waardevol om de keuzes die gemaakt worden te onderkennen en te bevragen wat daarmee verloren gaat en gewonnen wordt,” aldus Laan. Deze opvattingen bestaan vaak naast elkaar, zonder expliciet benoemd te worden. Juist daardoor blijven ontwerpkeuzes vaak impliciet.

De stad bestaat pas als we bewegen

“Pas in een proces, waarbij de dimensie van tijd wordt toegevoegd, ontstaat ruimte.” Laan maakt dit concreet met een alledaags voorbeeld: iemand die zijn huis verlaat, naar de supermarkt loopt en onderweg een omweg maakt langs een park. Die wandeling is niet alleen een verplaatsing, maar vormt de ruimte zelf. Zonder beweging blijft de straat een verzameling objecten. Met beweging ontstaat een route, een ervaring en een plek.

Relationele ruimte laat zien dat ruimte niet vastligt, maar steeds opnieuw ontstaat in gebruik. Daardoor is die ruimte lastig te vangen in ontwerp. Want elke wandeling is anders. De route die de één kiest, is niet dezelfde als die van een ander, zelfs als ze op dezelfde plek beginnen.

Volgens Laan vraagt dat om een andere manier van inrichten. Niet alles vastleggen, maar ruimte laten voor wat er kan ontstaan. Het plein is daar een goed voorbeeld van: een open plek zonder vaste route, waar mensen zelf bepalen hoe ze bewegen en verblijven.

Ook het woonerf laat zien hoe dat in de praktijk werkt. Daar delen verschillende gebruikers dezelfde ruimte en ontstaat het gebruik in het moment. Tegelijkertijd heeft dat ook een keerzijde. Minder regels en structuur zorgen voor meer vrijheid, maar maken beweging ook minder voorspelbaar en vaak trager.

Eén straat, meerdere werkelijkheden

In de praktijk wordt ruimte vaak ingericht vanuit verschillende gebruikers. “Voor een voetganger zijn borden, bankjes en beplanting van grote waarde.” Dat perspectief verschilt sterk van dat van een automobilist, die vooral gebaat is bij overzicht en snelheid. Laan laat zien dat deze relatieve opvatting van ruimte de basis vormt van veel straten in Nederland. De ruimte wordt ingericht op basis van wie er gebruik van maakt.

Tegelijkertijd stelt hij de vraag waarom juist deze indeling zo vanzelfsprekend is. Waarom kijken we vooral naar vervoersmiddelen? En wat gebeurt er als je andere perspectieven centraal stelt?

Wat er gebeurt als efficiëntie leidend is

De absolute opvatting van ruimte maakt zichtbaar wat er gebeurt als efficiëntie centraal staat. De snelweg is daarvan het meest duidelijke voorbeeld. “Op de snelweg bestaat alleen de weg vooruit; de enige ruimte die bestaat is de afstand tot je bestemming die steeds kleiner wordt.” In zo’n omgeving draait alles om doorstroming en snelheid. Andere kwaliteiten, zoals verblijf of beleving, spelen nauwelijks een rol.

Dat laat zien dat elke opvatting van ruimte iets oplevert, maar ook iets uitsluit.

Anders kijken naar lopen

De analyse van Laan maakt zichtbaar dat ruimte het resultaat is van keuzes. Welke opvatting leidend is, bepaalt hoe onze straten en pleinen functioneren. Voor wie werkt aan een wandelvriendelijke leefomgeving is dat een relevante vraag. Want als lopen serieus wordt genomen, verschuift ook het perspectief van waaruit ruimte wordt ontworpen.

Dit artikel is gebaseerd op een analyse van filosoof Dirk-Jan Laan op Gebiedsontwikkeling.nu.

Arnhem kiest voor lopen: Van veilige schoolzones tot weetings in het park

Arnhem maakt serieus werk van lopen. Met het loopbeleid ‘Arnhem Loopstad’ zet de gemeente in op veilige routes, gezondere inwoners en een stad waar lopen steeds aantrekkelijker wordt.

Lopen als vanzelfsprekende keuze

Lopen is misschien wel de meest onderschatte vorm van mobiliteit. In Arnhem kijken ze daar anders naar. Daar wordt het niet alleen gezien als een manier om van A naar B te komen, maar ook als sleutel tot een gezondere en aantrekkelijkere stad.

Wethouder duurzame mobiliteit Nermina Kundić verwoordt het helder: “We zien graag dat meer inwoners korte afstanden lopend afleggen.” Die ambitie is concreet uitgewerkt in het Duurzaam Mobiliteitsplan. Daarmee krijgt lopen een structurele plek in beleid én in de praktijk.

Veilige routes als basis

Een wandelvriendelijke stad begint bij veilige en prettige routes. Zeker op plekken waar veel mensen samenkomen, zoals winkelgebieden en ov-knooppunten. “Mensen willen korte, veilige routes van en naar bushaltes en treinstations. Zijn die er niet, dan kiezen ze minder snel voor bus of trein”, legt Kundić uit. Daarmee benadrukt ze hoe sterk lopen verbonden is met het openbaar vervoer.

De gemeente investeert daarom in hoofdlooproutes: belangrijke verbindingen rond voorzieningen en drukke plekken. Ook komen er extra oversteekplaatsen en worden wachttijden bij verkeerslichten verkort. Het zijn relatief kleine ingrepen, maar ze maken een groot verschil in hoe mensen de stad ervaren.

Gezondheid als drijvende kracht

De focus op lopen hangt ook samen met gezondheid. Nederlanders zitten veel, soms tot wel 9 uur per dag. Meer lopen betekent simpelweg meer bewegen en dat heeft direct effect op hoe fit mensen zich voelen.

Daarom richt het beleid zich niet alleen op de inrichting van de openbare ruimte, maar ook op gedrag. Denk aan het stimuleren van lopen tijdens werk of in de vrije tijd, bijvoorbeeld door vaker korte afstanden te lopen.

Van schoolroutes tot weetings

Wat opvalt in Arnhem is de brede aanpak. Het beleid bevat meer dan 20 maatregelen die samen zorgen voor verandering in het dagelijks leven. Zo werken scholen samen met de gemeente aan een veilige schoolzone bij elke school. Hiermee wordt lopen bij kinderen gestimuleerd. Want “Als je dit als kind leert, neem je het mee voor de rest van je leven”, legt Kundić uit.

Ook werkgevers worden betrokken. Lunchwandelingen helpen om lange zitdagen te doorbreken. En een sprekend voorbeeld is de ‘weeting’: de meeting tijdens een wandeling. “Al wandelend ben je vaak creatiever, scherper en productiever,” zegt Kundić.

Arnhem als inspiratie voor andere steden

Arnhem laat zien hoe je lopen concreet maakt. Niet met abstracte ambities, maar met ingrepen die direct effect hebben op straatniveau én in het dagelijks leven van inwoners. Voorbeelden die andere gemeenten kunnen inspireren.

Rotterdam loopt: hoe wandelroutes de stad in beweging brengen

Op het Eendrachtsplein in Rotterdam staat een klein glazen gebouwtje met een groot verhaal: het Tramhuis. Het voormalige wachthuisje voor tramreizigers uit 1914 is nu een plek waar wandelroutes, verhalen en ontmoetingen samenkomen. Het laat zien hoe Rotterdam stap voor stap verandert in een stad waarin lopen vanzelfsprekender wordt.

Van wachtplek naar beweging

In het Tramhuis, de eerste stadswandelingenkiosk ter wereld, koop je routes, hoor je verhalen en vertrek je op pad door Rotterdam. Het is geen klassieke toeristische voorziening, maar een plek waar bewoners en bezoekers de stad opnieuw leren kennen. De nadruk ligt op beleving en verbinding. Onder de noemer Hartstochtjes worden wandelingen georganiseerd die bewoners met hun wijk en met elkaar verbinden. Daarmee wordt lopen onderdeel van het dagelijks leven.

Groene routes als ruggengraat van de stad

Rotterdam zet stevig in op groene verbindingen. De Groene Connectie is daar een krachtig voorbeeld van. Over 8 kilometer worden groene initiatieven in Delfshaven verbonden tot één netwerk van ontmoetingsplekken. Het lint slingert langs spoorlijnen, singels en havengebieden en brengt bewoners met elkaar in contact. Onderweg kom je tuinen en parken tegen waar mensen samen werken aan een groene buurt. Je kunt de hele route lopen of kiezen voor kortere ommetjes van 2 tot 3 kilometer. Zo wordt lopen vanzelfsprekend onderdeel van de leefomgeving.

Ook De Groene Overschiese laat zien hoe zulke verbindingen werken. In het gebied tussen de Schie en de Rottemeren ontstaat een netwerk van groene plekken, met wandelroutes van 2 tot 8 kilometer. Bewoners zetten zich actief in voor een groenere omgeving waar iedereen van kan genieten.

Een route vol landschap en geschiedenis

De Steilrand laat zien hoe landschap en geschiedenis samenkomen. Dit 13,5 kilometer lange gebied in het noorden van Rotterdam ontstond door turfwinning en laat nog steeds hoogteverschillen zien. Het is nu een groen gebied met bloemrijke weides, rustige oevers en leefruimte voor vogels, vleermuizen en insecten. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan meer biodiversiteit, onder andere door bloemen en kruiden in te zaaien en minder te maaien. Voor bewoners is het een plek om even uit de drukte van de stad te stappen.

Van stadsrand tot regionaal netwerk

Rotterdam kijkt verder dan de eigen grenzen. Dat zie je terug in routes zoals het Rotterdams Ommelandpad. Deze route van ongeveer 150 kilometer loopt op de grens van stad en platteland en maakt het omliggende landschap beter bereikbaar. Langs de route liggen boerderijen, natuurgebieden en cultuurhistorische plekken die uitnodigen om de omgeving opnieuw te ontdekken.

Nog groter is het Mazenpad, een route van 222 kilometer die begint en eindigt in het centrum van Rotterdam. De route laat zien hoeveel natuur en buitenruimte er te vinden is, zelfs in een dichtbebouwd gebied. Dankzij de goede bereikbaarheid kun je zelf etappes kiezen.

Beleid en initiatief komen samen

Wat Rotterdam bijzonder maakt, is de wisselwerking tussen beleid en initiatieven uit de stad. In 2020 presenteerde Gemeente Rotterdam de visie Rotterdam Loopt tijdens Walk21 Foundation. Daarmee werd lopen gepositioneerd als onderdeel van stedelijke ontwikkeling.

De voorbeelden in dit artikel laten zien wat er daarna gebeurt. Bewoners, ontwerpers en organisaties bouwen verder aan dat idee, ieder vanuit hun eigen rol. Voor gemeenten zit daar een belangrijke les: wandelvriendelijk beleid krijgt pas echt betekenis als het zichtbaar wordt in routes en plekken waar mensen gebruik van maken.

Investeren in een loopvriendelijke binnenstad loont

De detailhandel krimpt, maar sommige binnensteden groeien juist. Hoe dat kan? Niet door méér winkels, maar door betere plekken om te verblijven, waar de voetganger centraal staat. Het Koopstromenonderzoek Randstad 2025 laat zien dat centrumgebieden in de Randstad die investeren in kwaliteit, vergroening en een sterke functiemix meer bezoekers trekken én beter worden gewaardeerd. Tegelijkertijd verandert ook de manier waarop mensen zich door die centra bewegen: het aandeel voetgangers neemt toe, terwijl de rol van de auto afneemt. Dat maakt één ding duidelijk: wie inzet op een loopvriendelijke binnenstad, investeert niet alleen in leefbaarheid, maar ook in economische vitaliteit.

Kwaliteit van de openbare ruimte bepaalt het succes

Wat maakt een centrum aantrekkelijk? Niet alleen winkels. Niet alleen horeca. Maar juist de kwaliteit van de openbare ruimte. Het onderzoek laat zien dat bezoekers kritischer zijn geworden. Rapportcijfers voor sfeer, veiligheid en beleving staan onder druk, terwijl de scores op groen en voorzieningen zoals bankjes en toiletten juist verbeteren.

Dat is veelzeggend. Dit zijn precies de elementen die bepalen of een gebied echt wandelvriendelijk is. Centra die hierin investeren, zien direct resultaat. In Alkmaar en Purmerend, waar stevig is ingezet op vergroening en klimaatadaptatie, waarderen bezoekers de kwaliteit van groen bijna een vol punt hoger dan in 2021, aldus het hoofdrapport. Dat zijn geen kleine verschillen, maar het verschil tussen ergens snel iets kopen en ergens willen blijven.

Lopen is geen bijzaak, maar economische motor

Interessant is dat het onderzoek ook een nuance aanbrengt: autobezoekers geven gemiddeld meer uit per bezoek dan voetgangers. Maar dat is maar een deel van het verhaal. Voetgangers komen vaker, verblijven langer en dragen bij aan de levendigheid van een gebied. Zeker nu centra zich ontwikkelen tot multifunctionele plekken met winkels, horeca, cultuur en ontmoeting, wordt dat verblijf steeds belangrijker.

“Investeren in een brede mix van functies en het creëren van een aantrekkelijke, schone en groene openbare ruimte waar de voetganger voorrang heeft loont!”
– Aart Jan van Duren, Sweco

Die ontwikkeling zien we niet alleen in de grote steden, maar juist ook in middelgrote centra die gericht investeren in kwaliteit en verblijf.

Van losse ingrepen naar structurele keuzes

Een belangrijke les uit het onderzoek is dat losse ingrepen niet voldoende zijn. Zo heeft het neerzetten van bloembakken en het ophangen van verlichting volgens het rapport relatief beperkte invloed op de beleving, de waardering en het bezoekgedrag. Wat werkt wel? Integrale keuzes.

Denk aan een slimme mix van functies, een aantrekkelijke looproute, voldoende verblijfsplekken en een openbare ruimte die uitnodigt om te blijven. Dat vraagt om samenwerking tussen gemeenten, ondernemers, vastgoedeigenaren en bewoners én om consistente investeringen op de lange termijn. Precies daar zit de kans voor gemeenten die werk willen maken van actieve mobiliteit.

Van winkelgebied naar verblijfsgebied

De grootste verschuiving die het Koopstromenonderzoek laat zien, is misschien wel deze: centrumgebieden zijn geen winkelgebieden meer, maar verblijfsgebieden. Oudere bezoekers maken volgens het rapport graag een wandelingetje en hechten meer waarde aan sfeer, uitstraling, groen en water.

Dat vraagt om andere keuzes in ontwerp en beleid. Minder focus op doorstroming, meer aandacht voor verblijf. Minder denken in functies, meer in beleving. Een centrum wordt pas echt sterk als het prettig is om er te lopen. Niet als je er moet zijn, maar als je er wilt zijn.

Benieuwd naar alle inzichten uit het onderzoek? Bekijk hier de resultaten van het Koopstromenonderzoek 2025.

>