Van losse ingrepen naar toegankelijke looproutes in Hof van Twente

Bas Alferink

“We willen af van eilandjes van toegankelijkheid.”  In Hof van Twente werkt Bas Alferink aan een toegankelijkheidsplan voor zes kernen. Een plan waarin loopdata, voetgangersnetwerken en ervaringen samenkomen. Aan ons de eer om hem te bevragen over de Twentse aanpak. Hoe zorg je dat een route niet alleen op papier toegankelijk is, maar ook in het echt?

Beginnen bij wie de route gebruikt

“De gemeente wil in ieder geval toegankelijker worden voor voetgangers”, vertelt Alferink. “We zijn eigenlijk begonnen met een hele analysefase. Voor wie doen we het nou?” Daarbij keek de adviseur mobiliteit en ruimte niet naar de gemiddelde voetganger. Met de gedachte in het achterhoofd dat wat werkt voor iemand die makkelijk loopt, is soms gewoonweg hopeloos voor iemand met een rolstoel, rollator, kinderwagen of visuele beperking.

Alferink: “Iedereen is voetganger,  maar ieder individu heeft eigen wensen en behoeften. Daarin maken wij onderscheid in 5 categorieën voetgangers, die je in de afbeelding hieronder ziet. Als je het voor díe mensen goed hebt, kan bijna iedereen zich goed verplaatsen in de openbare ruimte. Dat is het centrale idee erachter. Het gaat om:

  1. Kinderen;
  2. Ouderen;
  3. Mensen met een fysiek hulpmiddel;
  4. Mensen met een verstandelijke beperking
  5. Mensen met een zintuigelijke beperking.

“Deze groepen helpen bepalen waar extra loop-kwaliteit nodig is. Bijvoorbeeld routes die ouderen uit een verzorgingshuis veel gebruiken om naar de huisarts of de apotheek te gaan.”

Bepalen waar mensen lopen

De gemeente Hof van Twente bestaat uit zes kernen. Binnen deze kernen brachten Alferink en zijn collega’s bij Goudappel de loopstromen in beeld. “We hebben het Nederlands Loopstromenmodel ontwikkeld”, legt hij uit. “Hierbij is ritgeneratie gecombineerd met daadwerkelijk gemeten verplaatsingen, waarmee een goed beeld ontstaat van de voetgangersintensiteit op een route. Daarbovenop kwam per kern een kaart met voorzieningen. “Waar zitten de scholen? Waar zitten de bushaltes? Waar zitten de zorgcentra? Waar zitten de culturele activiteiten? Ook recreatieve routes telden mee: de routes waar mensen voor ontspanning wandelen. Bijvoorbeeld oudere mensen die even een rondje willen doen vanuit het verzorgingshuis. Die kaart, samen met de kaart waar veel gelopen wordt, geeft aan welke routes mensen willen nemen.” Tel je al die routes bij elkaar op, dan krijg je de contouren van het plaatselijk voetgangersnetwerk.

Ervaringsdeskundigheid bij bepalen toegankelijkheidsniveaus

Om meer inzicht te krijgen in wanneer een route toegankelijk is en wanneer niet organiseerden ze twee werksessies met de klankbordgroep toegankelijkheid. “Met mensen die écht in een rolstoel zitten of minder goed zien. Met hen gingen we om pad om te kijken waar zij tegenaan lopen. Bijvoorbeeld kliko’s op het trottoir, een geleide-lijn die ineen stopt bij een afrit. Op veel plekken in Hof van Twente zagen we dat de intentie goed was, maar de uitvoering minder.”

Al die ervaringen met de klankbordgroep zijn gebundeld en aan de hand daarvan is de kaart gemarkeerd. Welke routes gebruikten zij veel? Door de data te verbinden met ervaringen ontstond een basisnetwerk en hoofdnetwerk. Het basisnetwerk verbindt woningen en voorzieningen; het hoofdnetwerk wijst aan waar meer nodig is.

Extra kwaliteit op het hoofdnetwerk

Alferink legt uit dat ze verschillende niveaus van toegankelijkheid hebben vastgelegd. “De wandelpaden, pleinen en straten binnen het hoofd-voetgangersnetwerk, daarvan wil je dat de toegankelijkheid aan meer eisen voldoet.” Dit is het netwerk waar een stapje extra gewenst is. Een stapje extra in de vorm van: brede voetpaden, geleidelijnen en extra veel rustpunten. “Mensen die minder goed ter been, hebben dan in ieder geval één goede route richting het centrum en de voorzieningen.”

Stoppen met eilandjes

Het belangrijkste inzicht uit de wandeling met de ervaringsdeskundigen was dat toegankelijkheid vaak wel ergens begint, maar niet wordt afgemaakt. “Vaak zijn de bedoelingen goed. Dan legt NS bijvoorbeeld een geleide-lijn op het station, maar sluit deze niet aan op de rest van het netwerk. Dan krijg je eilandjes van toegankelijkheid.”

Voor gebruikers maakt juist dat ontbrekende stukje het verschil. “Je netwerk is pas compleet als het helemaal met elkaar verbonden is. De keten is zo sterk als de zwakste schakel.”

Kiezen voor de voetganger

Tijdens het interview horen we Alferink duidelijk zeggen dat hij het toegankelijkheidsplan voor Hof van Twente vooral ziet als een afwegingskader. Een manier om de voetganger eerder en beter mee te nemen in gemeentelijke keuzes over de openbare ruimte. “Als je zo’n plan hebt, heeft de voetganger een gelijkwaardige positie ten opzichte van andere modaliteiten. Bovendien is straks bij herinrichtingen in één oogopslag duidelijk of een straat onderdeel is van het hoofdnetwerk. En dus ook welk niveau van toegankelijkheid daarbij hoort.

Daarmee wordt het toegankelijkheidsplan voor Hof van Twente meer dan een kaart met routes. Het helpt de gemeente straks bij heel concrete keuzes: krijgt deze hoofdroute genoeg breedte, ligt er een logische oversteek, is er onderweg een plek om te rusten en loopt de geleiding door tot waar iemand echt moet zijn? Precies daar sluit het plan aan bij Ruimte voor Lopen en het Nationaal Masterplan Lopen. Niet lopen als sluitpost in de inrichting, maar als vaste waarde in het ontwerp van iedere kern.

“We ontwikkelden een ‘digital twin’ waarin de sociale veiligheid op het hele voetgangersnetwerk zichtbaar wordt”

Aron, één van de geïnterviewden over LOOP

Hoe sociaal veilig voelt een straat eigenlijk als je er alleen loopt, bij dag of nacht? En op welke manier maak je dit zichtbaar met data? In Deventer werken Boudewijn Naaijkens, Aron Vossebeld en Evander van Wolfswinkel aan LOOP. Een digital ‘twin’ waarin allerlei voetgangersdata samenkomen. In dit interview vertellen ze over hun unieke sociale-veiligheidsscore en hoe ze bijdragen aan de shift naar meer Ruimte voor Lopen.

Sociale veiligheid als ontbrekende schakel

Veel gemeenten werken tegenwoordig aan een logisch voetgangersnetwerk, weten goed waar voetpaden liggen, hoe breed ze mogen zijn en waar oversteekplaatsen ontbreken. Maar hoe veilig een route vóelt voor voetgangers? “Dat is een hot topic, binnen mobiliteitsbeleid en maatschappij-breed”, geven Naaijkens, Vossebeld en Van Wolfswinkel eensgezind aan. “Toch zijn er amper modellen die daar iets mee doen.” Volgens Vossebeld van één van onze partners, Goudappel, is dat dan ook hun unique selling point.

“Wij keken naar welke beslisinformatie ontbreekt bij het opstellen van voetgangersbeleid” vult Naaijkens aan. “Al snel kwamen we toen uit bij sociale veiligheid.” Vanuit het samenwerkingsverband De Kien ontwikkelden ze hun digital twin, waarin ze bestaande voetgangersdata samenbrengen. In Deventer zag de tool het levenslicht, maar inmiddels is het voor iedere gemeente inzetbaar.

Sociale veiligheidsscore

Op basis van de data ontwikkelen ze daarnaast een volledig nieuwe sociale-veiligheidsscore voor heel Deventer. En dat gaat verrassend ver, vertellen de drie vol enthousiasme. “De tool berekent zowel een dag- als nachtscore.” En gemeente Deventer is heel enthousiast hierover. “Zo passen we de scores uit LOOP al samen met de gemeente toe bij het opstellen van maatregelen voor het verbeteren van haar voetgangersnetwerk.”

Hoe is die sociale-veiligheidsscore opgebouwd?

Deze score is opgebouwd uit elf verschillende parameters. De één voor de hand liggend, de ander verrassender. Van straatverlichting, drukte en verkeerssnelheid tot open zicht. Van Wolfswinkel: “Hoeveel van de omgeving kun je op een bepaald punt zien? Hoe hoog zijn de bosjes? Kan iemand zich daarachter verstoppen of heb je juist lage begroeiing waardoor je overzicht houdt?” Bovendien speelt sociale controle een belangrijke rol. Mensen voelen zich veiliger als er anderen in de buurt zijn, daarom gebruikt LOOP informatie over de loopstromen, verkeersintensiteit en openingstijden van voorzieningen. Allemaal indicatoren die helpen een inschatting te maken van hoeveel ‘ogen op straat’ er aanwezig zijn.

“Als ergens veel mensen lopen, voelt een plek vaak veiliger,” beaamt Vossebeld. “Maar ook langzaam-rijdend verkeer helpt mee. Bij dertig kilometer per uur heb je nog sociaal zicht op het voetpad. Bij 80 kilometer per uur verdwijnt dat volledig.”

Juist die combinatie van databronnen maakt LOOP bijzonder. Open data worden verrijkt met gemeentelijke datasets, modellen van Goudappel en aanvullende analyses die de makers zelf ontwikkelen. “We halen niet alleen data van internet,” zegt Naaijkens. “We verrijken die data ook. Bijvoorbeeld door te berekenen hoeveel open zicht er in een straat is.”

Boudewijn Naaijkens

Niet bepalen, maar inzicht geven

Toch willen de makers van het model nadrukkelijk voorkomen dat gemeenten het model als absolute waarheid gaan zien. “Wij gaan nooit zeggen: deze straat ís onveilig,” zegt Van Wolfswinkel van Saxion. “Sociale veiligheid blijft voor een deel een gevoel.” Dat maakt het onderwerp volgens hem juist ingewikkeld én interessant. LOOP pretendeert niet emoties te vangen in één cijfer, maar helpt gemeenten om patronen zichtbaar te maken en betere gesprekken te voeren over ontwerpkeuzes. “Het doel is inzicht creëren,” zegt Van Wolfswinkel. “Waarom scoort een route minder goed? Komt dat door gebrek aan verlichting? Te weinig sociale controle? Slecht zicht door te hoge beplanting? Dan heb je als overheid een idee van welke ingrepen er in de openbare ruimte nodig zijn.”

Realistisch beeld van sociale onveiligheid op straat

Om te toetsen of hun model realistisch is, legden de makers hun kaart naast meldingen van Pointer over plekken waar vrouwen zich onveilig voelen. De overlap bleek opvallend groot. “Toen zagen we wel dat we goed in de richting zitten,” zegt Van Wolfswinkel. “Dat gaf ons vertrouwen in het toepassen van de score.”

“Niet elke straat hoeft perfect te zijn”

Misschien wel de meest verrassende uitspraak komt van Naaijkens. “Je kunt niet de hele stad sociaal veilig maken. Dat klinkt misschien gek, maar niet alle straten hoeven dezelfde hoge score te krijgen. De focus ligt op het hoofdnetwerk voor voetgangers, de belangrijkste looproutes binnen de stad Deventer.” Vossebeld vult aan: “Over deze routes lopen de meeste mensen en op deze routes kan je hogere eisen stellen. Wat betreft toegankelijkheid, comfort én sociale veiligheid.” 

Screenshot uit LOOP, digital twin tool

Van kaart naar ontwerptool

Voorlopig werkt LOOP vooral als analysetool die ingezet kan worden voor elke gemeente, maar de ambities gaan verder. “We noemen het nu nog een digital shadow,” zegt Van Wolfswinkel. “Je digitaliseert de werkelijkheid zodat je inzichten kunt ophalen.” Maar uiteindelijk willen de makers verder. “We willen straks bijvoorbeeld wegen en groen kunnen toevoegen of weghalen en direct zien wat dat doet met de sociale-veiligheidsscore,” zegt hij. “Dan ga je echt richting een digital twin.” Dat opent een hele nieuwe wereld van mogelijkheden voor beleidsmakers: dan hoeven ze niet achteraf te constateren dat een route onprettig voelt. Ze kunnen vooraf simuleren welke ontwerpkeuzes het beste bijdragen aan een loopvriendelijke omgeving.

De voetganger eindelijk zichtbaar maken

Volgens de drie ontwikkelaars laat LOOP vooral zien hoe snel het denken over lopen verandert. Waar verkeersmodellen jarenlang vooral om auto’s draaiden, ontstaat nu steeds meer aandacht voor de voetganger. “Voor auto’s bestaan enorme hoeveelheden data en modellen,” geeft Vossebeld aan. “Voor voetgangers is dat veel beperkter.” LOOP probeert dat gat kleiner te maken. En juist dat sluit naadloos aan op het Nationaal Masterplan Lopen. Want een wandelvriendelijke stad draait niet alleen om stoepbreedtes of oversteekplaatsen, maar ook om de vraag: voel je je hier prettig genoeg om te lopen?

Van wandelhater tot pleitbezorger voor toegankelijke voetgangersnetwerken.

Dennis van Sluijs

“Mijn ouders namen me als kind mee op wandelvakantie en dat vond ik altijd verschrikkelijk. Hoeveel ik wel niet heb geklaagd over hoelang we nog moesten lopen!” Je kunt het je haast niet voorstellen, maar voetgangersexpert Dennis van Sluijs had er in zijn vroege jaren niets mee.

Wandelen of lopen, het liet hem koud. Totdat hij als twintiger Ruimtelijke Ontwikkeling ging studeren aan Windesheim en zijn oog liet vallen op de specialisatie Mobiliteit. “Hoewel die studie helemaal niet zoveel sprak over de voetganger”, haalt Van Sluijs terug. “Dat kwam pas op mijn vizier tijdens mijn stage. Ik deed onderzoek naar de looproute van een parkeerlocatie naar het centrumgebied van de stad.”

Via via kwam de student in contact met Martine de Vaan, grondlegger van de weeting. Aanvankelijk voor een interview, maar dat groeide uit tot meer. “Bij haar en gemeente Amersfoort ben ik gaan afstuderen. Onderwerp van mijn afstudeerstage? De taxonomie van stedelijke loop- en wandelroutes. “Eigenlijk is de interesse voor de voetganger dus toevallig gegroeid.”

Vaste wandelroutine in de ochtend

Ook in persoonlijke sfeer heeft lopen een plaats verworven in zijn leven. Van Sluijs: “Ik loop iedere ochtend voordat ik naar mijn werk ga. Een halfuurtje met de hond. Dat geeft me een stukje rust en ontspanning. Als ik dat niet doe, ga ik echt anders de dag in. Dat heb ik ook met de lunchwandeling tijdens mijn werk: laat ik die achterwege, dan word ik het werken ergens halverwege de middag zat.” De eerste ochtendwandeling voor zijn werk, maakte hij tijdens corona. “De Ommetjes-app was nét uit. De app waarmee je voor iedere gezette stap punten krijgt en een wandeling voor 7 uur ’s ochtends leverde helemaal veel bonspunten op. Sindsdien ben ik dat blijven doen.”

Belang goede wandelroutes zelf ervaren

Al snel in zijn carrière maakte Van Sluijs de stap van ‘de voetganger’ in het algemeen naar toegankelijke voetgangersnetwerken. We vragen hem wanneer bij hem het besef kwam dat dit zo’n belangrijk punt is. “Dat was toen ik net 4 maanden werkte. Ik kreeg een blindedarmontsteking, moest daarvoor onder het mes en zat twee dagen in een rolstoel. Een relatief korte tijd, maar lang genoeg om me te verbazen over letterlijk ieder klein randje, ieder ribbeltje. Iedere oneffenheid tussen stoeptegels voelde ik als pijn in mijn hele lijf. Op dat moment dacht ik echt: ‘jeetje, je zou dit maar ieder moment ervaren.”

Deze persoonlijke ervaring benadrukte voor Van Sluijs de urgentie om verder te gaan op dit onderwerp. “Mensen onderschatten vaak de toegankelijkheid. Voor het gros van de mensen is het ook zo normaal dat ze het niet eens doorhebben. Zij realiseren zich niet dat ze mensen soms volledig uitsluiten. Bijvoorbeeld door ‘eventjes’ de auto op de stoep te parkeren, waardoor er voor iemand in een rolstoel als het ware een gesloten slagboom op de stoep staat. Die persoon kan niet even van de rand van de stoep afstappen en op de rijbaan verder gaan.”

80% van de mensen staat niet stil bij het voetpad

In het vervolg van ons gesprek geeft Van Sluijs de schatting dat 80% van alle Nederlanders niet eens beseft dat er zoveel voetpaden zijn. Zeker in de meeste woonstraten. “Ze beseffen ook niet dat ze hun fiets op het voetpad zetten. Of dat de kliko éénmaal in de week midden op het trottoir staat. Dat maakt het werken aan goede voetgangersnetwerken voor mij nog belangrijker. Het zou toch mooi zijn als iedereen zich bewust wordt van het gebruik van het voetpad.”

“Dat meer mensen gaan lopen zonder het door te hebben”

Dat is zijn ambitieuze wens voor de toekomst: dat mensen naar de supermarkt lopen omdat de omgeving daartoe uitnodigt. Niet omdat ze extra stappen willen zetten, maar omdat het fijn lopen is. “Dat brengt met zich mee dat de leefomgeving daarop aangepast moet worden. 20 minuten lopen tussen gevels, terwijl je fietsen en kliko’s moet ontwijken, dat is gewoon niet zo prettig. Waarom zou je dan tussen de dag door een rondje maken te voet?”

Van bushalte tot buitengebied: dit maakt de Voetgangerscheck zichtbaar

Hoe wandelvriendelijk is een route eigenlijk? Dat lijkt een eenvoudige vraag, maar wie goed kijkt ziet dat de openbare ruimte voor verschillende mensen heel anders kan werken. Voor kinderen, ouderen of mensen met een toegankelijkheidsvraag kan een route ineens een obstakel worden. De Voetgangerscheck van Arcadis helpt gemeenten om dat zichtbaar te maken. In Amersfoort werd de methodiek toegepast bij vijf oversteken langs de Bunschoterstraat, een belangrijke verbinding tussen de stad en het buitengebied van Hoogland.

Een bushalte die niet voor iedereen bereikbaar is

Een van de plekken die werd bekeken is de bushalte Zeldertseweg langs de Bunschoterstraat in Hoogland. Tijdens de Voetgangerscheck worden alle aanlooproutes naar zo’n halte beoordeeld.

“Het uitvoeren van een voetgangerscheck houdt in dat wij, aan de hand van de voetgangersbehoeftepiramide, de openbare ruimte beoordelen,” vertelt Dennis van Sluijs van Arcadis. “We doen dit door op locatie een uitgebreide schouw uit te voeren waarin we verschillende routes en richtingen lopen. We verplaatsen ons tijdens de schouw in de belevingswereld van diverse voetgangers, bijvoorbeeld kinderen, ouderen en mensen met een toegankelijkheidsvraag.”

Tijdens de schouw bij de bushalte in Hoogland werd duidelijk dat deze niet voor iedereen goed toegankelijk is. De reden? De geleidelijnen voor mensen met een visuele beperking blijken niet volgens de huidige richtlijnen te zijn aangelegd. Daardoor kan deze doelgroep de bushalte niet gebruiken.

Eerst de basis op orde

De Voetgangerscheck werkt met de voetgangersbehoeftepiramide. Dat model laat zien dat eerst de basis op orde moet zijn voordat hogere kwaliteiten effect hebben.

In het buitengebied rond Hoogland bleek bijvoorbeeld dat op sommige plekken een stuk voetpad ontbreekt langs een parallelweg. Daardoor moeten voetgangers over de rijbaan lopen. Voor kinderen kan dat een reden zijn om een route helemaal niet te gebruiken, omdat het niet veilig voelt of ouders het niet toestaan.

Ook voor mensen met een toegankelijkheidsvraag kan onvoldoende beheer en onderhoud grote gevolgen hebben. Losliggende of verzakte tegels zorgen er bijvoorbeeld voor dat iemand in een rolstoel hier niet meer zelfstandig gebruik van kan maken.

Toegankelijkheid wordt vaak onderschat

Volgens Dennis wordt toegankelijkheid van de openbare ruimte nog te vaak onderschat: “Toegankelijkheid gaat namelijk om meer dan alleen mensen die slechtziend zijn of in een rolstoel zitten. Wij onderscheiden daarin vijf categorieën: mensen met een fysiek hulpmiddel, mensen met een zintuigelijke toegankelijkheidsvraag, mensen met een cognitieve toegankelijkheidsvraag, ouderen en kinderen.”

Veel van deze groepen worden volgens hem nog onvoldoende gezien in het ontwerp en beheer van de openbare ruimte.

“Veel van deze doelgroepen worden niet, of onvoldoende, gezien en gehoord in de openbare ruimte. Er zijn echt investeringen nodig om te voldoen aan het VN-Verdrag Handicap. Op elke plaats waar ik loop, of het nu tijdens werk of vrije tijd is, zie ik voorbeelden waar mensen met een toegankelijkheidsvraag niet zelfstandig gebruik kunnen maken van de openbare ruimte.”

“Verbeteringen voor mensen met een toegankelijkheidsvraag zijn voor bijna elke voetganger een verbetering.” – Dennis van Sluijs, adviseur Loopstromen & Voetgangers bij Arcadis

Van inzicht naar verbetering

De Voetgangerscheck leverde de gemeente Amersfoort concrete inzichten op. De gemeente gebruikt deze inzichten om de verbinding tussen stad en buitengebied te verbeteren. “De check gaf ons een beeld van de beloopbaarheid van de stad-land-verbindingen over de Bunschoterstraat,” vertelt Houkje Hibma, adviseur landschap en recreatie bij de gemeente Amersfoort. “Samen met de provincie gaan we kijken waar we aan de slag kunnen met snelle verbeteringen, bij de aanlooproutes naar de bushaltes bijvoorbeeld.”

Zo wordt aan de westzijde van de Bunschoterstraat gewerkt aan een nieuw wandelpad dat Hoogland beter verbindt met het omliggende landschap. Daarbij wordt ook gekeken naar extra voetpaden zodat de route veilig en toegankelijk wordt voor iedereen.

Interview: “We werken aan meer aandacht voor lopen in opleidingen met onze gastdocenten”

Wilma Slinger

Al jaren werkt ze als senior projectleider aan een inclusieve openbare ruimte en binnen het Nationaal Masterplan Lopen nam ze een belangrijk actiepunt op zich: lopen beter verankeren in het hoger onderwijs. Wilma Slinger (CROW): “Deels vanuit mijn persoonlijke affiniteit. Ik heb altijd een sterke binding gehad met educatie. Zo heb ik me jarenlang beziggehouden met het kwalitatief toetsen van producten voor verkeerseducatie. Kennis delen zit gewoon in mijn systeem.”

20 gastdocenten

Na een drukke werkweek vertelt ze ons tijdens een gemoedelijk interview over hoe ze zich met anderen inspant om het gastdocentennetwerk te versterken, waarom het curriculum beïnvloeden zo’n taaie opgave bleek en waar volgens haar kansen liggen om lopen breder op kaart te zetten bij opleidingen. Ze vertelt dat er ruim 20 gastdocenten zijn die vanuit hun expertise lessen verzorgen bij diverse opleidingen.

“Dat is heel breed. Iedere docent heeft natuurlijk een eigen expertise. Van beleid en gebiedsontwikkeling tot data, veiligheid, stimuleren van lopen en toegankelijkheid. En ook andere specialismen, zoals groen, voetgangersnetwerken en infrastructurele thema’s, krijgen een plek. Zo kunnen opleidingen kiezen tussen generieke of juist heel specifieke invalshoeken.”

Uitdaging: ervoor zorgen dat opleidingen de gastdocenten beter vinden

Aanbod is er dus voldoende, maar bij de vraagkant is er nog werk aan winkel. “We willen natuurlijk dat opleidingen onze gastdocenten goed gebruiken”, lacht Slinger. “En ik hoor van bepaalde docenten dat ze wél regelmatig een gastles verzorgen, maar uitbreiding is zeker gewenst. Dus één van onze taken is om ingangen bij opleidingen te zoeken: een complexere opdracht dan verwacht. Toch is het doel helder: in februari ligt er een basislijst, waarna we opleidingen actief kunnen benaderen.”

Het liefste ziet ze dat er uiteindelijk een jaarlijks terugkerend schema ontstaat voor gastlessen. “Een patroon zou enorm helpen, want dan groeit het uiteindelijk uit tot een vast onderdeel. En weten we zeker dat ‘lopen’ geborgd is.” De projectleider legt uit dat bij verkeerskundige opleidingen de ingang vaak al goed is. Maar ze wil de horizon verbreden. “Door lopen als thema breder te trekken en ook te kijken naar domeinen als gezondheid, groen, milieu en sport & bewegen.”

Kansen benutten

Waar kansen ontstaan, haakt Slinger aan. Zo heeft ze laatst iemand uit de groensector gesproken die toegang heeft tot groene opleidingen. “Daar vliegen we het anders aan: we zorgen eerst voor een artikel in Vakblad Groen, zodat we daaraan kunnen refereren en een breed publiek kennis maakt met het thema. Daarna gaan we kijken welke mogelijkheden er hier zijn voor gastlessen.” Het is een aanpak die veel tijd en geduld vraagt: je netwerk uitbreiden, de juiste ingang vinden en dan mensen ervan overtuigen dat gastlessen over lopen en de voetganger waarde toevoegen.

Databank met lesmateriaal

Naast het beter voor het voetlicht brengen van de gastdocenten werkt Slinger samen met Ineke Spapé aan een toegankelijk en professioneel overzicht van lesmateriaal. “Spapé is een databank aan het opzetten. Met presentaties, publicaties en werkvormen die gastdocenten kunnen gebruiken. Die worden allemaal gelabeld, zodat een docent meteen voorbeelden ziet. Stel: iemand wil een les van een uur verzorgen over voetgangersdata. Dan kan diegene binnen een paar klikken suggesties krijgen voor zijn of haar presentatie.”

Vooraankondiging video gastdocenten

Tot slot sprak ze vorig jaar bijna alle gastdocenten om te horen wat zij nodig hebben. Daaruit kwam een opvallende wens: zichtbaarheid. “Ze zeiden: het zou leuk zijn als er een video komt waarin we vertellen wat we doen.” Zes docenten werkten mee… en in maart gaat de video in première.

De verborgen kracht van nabijheid: Erwin van der Veld over de nabijheidstool

In dit interview vertelt Van der Veld van der Veld, adviseur mobiliteit bij Arcadis, hoe GIS-tools helpen om inzicht te krijgen in de nabijheid van voorzieningen. De Nabijheidstool maakt inzichtelijk welke inwoners binnen 15 minuten lopen toegang hebben tot belangrijke voorzieningen zoals scholen, supermarkten, zorglocaties en bushaltes. De plekken waar geen dekking is, maar waar wel inwoners wonen, kleuren rood. Dat levert het beginpunt van een dialoog op.

Open data in één oogopslag helder op de kaart

De nabijheidstool werkt volledig op basis van open data. Daardoor is in één oogopslag duidelijk hoe voorzieningen verspreid zijn en welke wijken afhankelijker zijn van fiets, OV of auto. Van der Veld legt uit: “De belangrijkste waarde is dat de tool het gesprek faciliteert.” Volgens hem bieden de kaarten een gedeeld referentiekader voor bijvoorbeeld beleidsmakers. “Ze maken subtiele verschillen tussen wijken zichtbaar, helpen mobiliteitsarmoede te herkennen en ondersteunen transparante besluitvorming.”

Diverse gemeenten hebben de nabijheidstool vrijblijvend kunnen testen: “De tool bevestigde waarnemingen van beleidsmakers en maakte de consequenties zichtbaar,” vat Van der Veld samen. Zo werd in één gemeente duidelijk dat bij een eerdere gebiedsontwikkeling bewust géén basisschool was gepland. In de kaarten zag je die keuze direct terug in de dekking. Van der Veld: “Het helpt bij het evalueren van eerdere keuzes én bij het plannen voor de toekomst.”

Opschaling naar andere voorzieningen

De Nabijheidstool is breed inzetbaar. “De tool werkt voor alle Nederlandse gemeenten en kan snel aangepast worden voor andere voorzieningen zoals zorg, supermarkten, sportlocaties of OV‑haltes.” Omdat de basis open data is, kun je snel meerdere analyses na elkaar doen. “We hebben de tool al uitgebreid met dekking vanuit OV‑haltes, en technisch kunnen we eenvoudig opschalen naar andere voorzieningen.” Partners van Ruimte voor Lopen spelen volgens Van der Veld een belangrijke rol in de verdere ontwikkeling. “Zij brengen praktijkkennis, toetsen aannames en helpen bij het interpreteren van de output.”

Wat er nog op de planning staat voor de nabijheidstool

Samen met collega’s binnen Arcadis werkt Van der Veld aan verschillende doorontwikkelingen. “We willen uitbreiden naar meer voorzieningen en doelgroepgerichte analyses, zoals voor senioren of schoolgaande kinderen.” Ook integratie van OV‑ en fietsbereikbaarheid staat op de lijst. Belangrijk is daarnaast het verbeteren van datakwaliteit. “Lokale datasets toevoegen en cases valideren helpt om feitelijke inzichten te krijgen.”

De Nabijheidstool sluit ook perfect aan bij het Nationaal Masterplan Lopen. De tool helpt gemeenten om voetgangerskwaliteit in beeld te brengen, door zichtbaar te maken waar kansen liggen voor een echt loopvriendelijke leefomgeving. “Met duidelijke kaarten kun je complexe opgaven toegankelijk maken.”

De stille revolutie van lopen: Rob Methorst over decennia pleiten voor voetgangersbelangen

Rob Methorst

In Nederland draait mobiliteit vaak om de auto en de fiets. Toch heeft Rob Methorst zich al tientallen jaren ingezet voor een groep die vaak over het hoofd wordt gezien: de voetganger. Altijd onderstreepte hij het belang van lopen als volwaardige vervoersmodaliteit. In dit interview vertelt hij over zijn passie, de rol van Ruimte voor Lopen en de toekomst van voetgangersbeleid.

Motivatie en passie voor lopen

Rob Methorst is al sinds de jaren ’80 actief in de strijd voor de belangen van voetgangers. “Toen ik begon, had gemotoriseerd verkeer de prioriteit”, zegt hij met enige nostalgie. “Fietsers kregen al redelijk wat aandacht, maar voetgangers waren nog nauwelijks een punt van discussie.” Vanaf 1990 werkte hij voor de Voetgangersvereniging Nederland. Dat was slechts het begin van een carrière die zijn stempel zou drukken op het beleid voor voetgangers. Voetgangers in Nederland en daarbuiten.

Methorst vond al snel dat de kennis over voetgangersbeleid niet zomaar geïmporteerd kon worden. “Als je wilt bijdragen aan de voorhoede van iets, moet je ook in die voorhoede staan”, legt hij uit. “Het is veel te specifiek om te vertrouwen op inkoop van kennis.” Toen de vereniging fuseerde met Veilig Verkeer Nederland, koos hij daarom eieren voor zijn geld en begon aan een loopbaan bij de rijksoverheid.

Rijkswaterstaat en proefschrift bij TU Delft

Bij Rijkswaterstaat werd hij onder meer aanspreekpunt bij adviesvragen over kwetsbare verkeersdeelnemers, wat zijn interesse in voetgangersveiligheid verder aanwakkerde. Een onderwerp dat in andere landen meer aandacht kreeg dan bij ons. Precies de reden waarom Methorst samenwerking en input zocht uit het buitenland. Wat begon als samenwerking groeide uit tot een Europees project waar wel 70 Europese wetenschappers aan bijdroegen, dat in 2010 werd afgesloten door een Walk21 congres in Den Haag Een grote internationale conferentie over lopen.

Uiteindelijk schreef Methorst zijn proefschrift aan de TU Delft over voetgangersbeleid. Met in 2021 de kers op de taart: de publicatie van zijn proefschrift: ‘Exploring the Pedestrians Realm, – An overview of insgights needed for developing a generative system approach to walkability’ “Het ging niet alleen om de problemen die voetgangers ondervinden, maar om het hele systeem waarin lopen zich afspeelt”, benadrukt hij.

Ruimte voor Lopen en de positionering van voetgangers in Nederland

Met de oprichting van Ruimte voor Lopen in 2017 kreeg het voetgangersdomein eindelijk een platform dat de belangen van voetgangers en andere stakeholders structureel vertegenwoordigt. Methorst ziet dit als een belangrijk keerpunt. “Tot die tijd was er geen landelijk verband waarin voetgangers überhaupt een rol hadden”, herinnert hij zich. “Er werd zelfs ontkend dat voetgangers een betekenisvolle rol speelden in het mobiliteitsbeleid.” Zijn woorden getuigen van een diepe frustratie over de lange tijd dat voetgangers geen serieuze plaats kregen in het beleidsdebat. Hij moet bijvoorbeeld denken aan Walk21 2010 “Op de website van het ministerie van Verkeer en Waterstaat was er niets over te vinden.”

Volgende week kijken we in deel 2 van het tweeluik over Rob Methorst naar het heden en de toekomst van lopen.

Interview: Dennis van Wieren over zijn bijdrage tijdens het Nationaal Voetgangerscongres

Interview Dennis van Wieren

Voetgangersvriendelijke steden komen niet vanzelf tot stand. Tijdens het Nationaal Voetgangerscongres op 1 oktober, met als thema Kiezen voor lopen, lieten Dennis van Wieren en Noa Hamacher (Sweco) zien waarom toegankelijkheid begint bij het proces en niet alleen bij het ontwerp. Hun sessie bouwde voort op het werk aan de nieuwe Leidraad Toegankelijkheid en de Landelijke Richtlijn Akoestische Signalering bij Verkeerslichten voor mensen met een visuele beperking. Wat betekent dit voor gemeenten en ontwerpers? En waarom is de stem van de doelgroep daarin onmisbaar? In dit interview blikken we met Dennis terug op de belangrijkste inzichten.

De urgentie van toegankelijkheid

Hoewel de voetganger de laatste jaren meer aandacht krijgt in beleid en ontwerp, ziet Dennis dat toegankelijkheid nog steeds achterblijft. “Lopen is de meest basale manier van verplaatsen, maar de voetganger heeft nog steeds niet de volle aandacht,” zegt hij. Sweco werkt voor CROW aan de Leidraad Toegankelijkheid en aan de Landelijke Richtlijn Akoestische Signalering bij Verkeerslichten voor mensen met een visuele beperking. De ervaringen uit deze projecten vormden de rode draad van de presentatie die Dennis samen met Noa Hamacher gaf. “‘Design for all’ betekent immers dat de openbare ruimte voor iedereen geschikt moet zijn om te lopen,” benadrukt hij. “Helaas is dat nog lang niet overal het geval.”

Het belang van houding en bewustzijn 

In de sessie benadrukten Dennis en Noa dat toegankelijkheid niet alleen draait om technische maatregelen. “Toegankelijke openbare ruimtes vereisen de inzet van vele betrokkenen,” vertelt Dennis. Volgens hem weten ontwerpers en verkeerskundigen vaak goed wat er moet gebeuren, maar is het hoe en waarom minstens zo belangrijk. “Zodoende wordt niet zomaar wat gedaan, maar is men meer bewust van de noodzaak en meerwaarde.” De doelgroep speelt daarin een cruciale rol. “Eén belangrijke betrokkene mag bij de uitwerking van de plannen niet ontbreken: de doelgroep zelf.” Volgens Dennis maakt het betrekken van ervaringsdeskundigen toegankelijkheid concreet en toepasbaar.

Waarom richtlijnen meer vragen dan techniek

Wie denkt dat landelijke richtlijnen vooral een technische exercitie zijn, vergist zich. “Omdat je te maken hebt met verschillende belangen en specifieke richtlijnen en eisen voor mensen, is het van belang om goed naar elkaar te luisteren en je in te leven in de doelgroep,” legt Dennis uit. Hij ziet dat er snel aannames worden gedaan, bijvoorbeeld dat iets “wel acceptabel zal zijn” voor gebruikers. Daarom moet betrokkenheid doorlopen in alle fasen: van planvorming tot uitvoering en beheer. “Waarom niet evalueren en monitoren of het beoogde doel bereikt is?” vraagt Dennis zich af. Dat maakt toegankelijkheid een doorlopend proces dat je steeds kunt aanscherpen.

Hoe gemeenten toegankelijkheid kunnen verankeren

Volgens Dennis kunnen gemeenten en ontwerpers direct aan de slag, zonder dat daar ingewikkelde stappen voor nodig zijn. Hij verwijst naar de Gouden Driehoek, die bestaat uit opdrachtgever, inhoudsdeskundige en ervaringsdeskundige. “Deze samenwerking is essentieel om tot compleet advies te komen,” benadrukt hij. Door vakinhoudelijke kennis te verbinden met praktijkervaring ontstaan oplossingen die technisch kloppen en werken voor iedereen die zich lopend door de openbare ruimte beweegt. Een gemeente kan een werkgroep met ervaringsdeskundigen oprichten of de samenwerking zoeken met een bestaande groep, zoals gemeente Nijmegen doet met het Zelfregiecentrum Nijmegen. In de sessie lieten Dennis en Noa aan de hand van sprekende voorbeelden zien dat je deze werkwijze morgen al kunt toepassen in nieuwe projecten. Zo lieten ze zien dat ze voor de Leidraad Toegankelijkheid met de werkgroep op pad zijn geweest met mensen met Alzheimer. Zij benadrukten dat oversteeklocaties overzichtelijk moeten zijn en dat duidelijk moet zijn wat er van de gebruiker wordt verwacht.

Voor de Landelijke Richtlijn Akoestische Signalering bij Verkeerslichten zijn enkele locaties met verkeerslichten samen met de doelgroep bezocht. Ook maakte de projectgroep zelf een geblinddoekte oversteek. “We hebben ervaren hoe het is om het groen of rood alleen te kunnen horen in plaats van zien.”

Daarnaast is het belangrijk om duidelijk aan te geven waarom een aanpassing in de openbare ruimte nodig is. Als het belang van een aanpassing helder is, krijg je de verschillende betrokkenen, zoals uitvoerders, beheerders en omwonenden, makkelijker mee.

Waarom samenwerking met de doelgroep onmisbaar is

De belangrijkste oproep van Dennis en Noa was duidelijk: “Doe geen aannames en ga de samenwerking met de doelgroep aan.” Dat kan al eenvoudig door locaties samen te bezoeken of ontwerpkeuzes te toetsen bij mensen die afhankelijk zijn van duidelijke routes, voelbare overgangen of akoestische signalen.

Deze werkwijze sluit aan op het Nationaal Masterplan Lopen, dat inzet op een openbare ruimte die wandelvriendelijk is en waarin iedereen zelfstandig en veilig kan lopen. Door proces, inhoud en ervaring structureel te verbinden, wordt toegankelijkheid steeds meer een onderdeel van goed loopbeleid waar Ruimte voor Lopen aan werkt.

Hoe gemeenten vandaag al kunnen beginnen met een voetgangersnetwerk

Webinar voetgangersnetwerken: links Dennis van Sluijs, rechts Annemieke Molster

Steeds meer gemeenten willen hun omgeving loopvriendelijker maken, maar de vraag waar je begint, blijft vaak hangen. Tijdens het webinar over voetgangersnetwerken vertelden verschillende sprekers over hun ervaringen. In dit artikel zoomen we in op de inzichten van Dennis van Sluijs (Arcadis) en Annemieke Molster (Gemeente Arnhem).

Waar begin je als gemeente?

Voor veel gemeenten begint het met bewustwording, vertelt Dennis. “Het is belangrijk dat elke gemeente een eigen voetgangersnetwerk heeft dat de hele stad of gemeente aaneengesloten bereikt. Zo doorbreken we barrières en maken we de stad voor iedereen bereikbaar.”

Ook de complexiteit valt mee, benadrukt hij. Er ís al veel kennis. “Het opstellen van een voetgangersnetwerk is niet zo lastig als het lijkt. Er zijn al veel theorieën en praktijkvoorbeelden om uit te leren.”

Annemieke sluit daarop aan. Voor haar vormt een netwerk de basis van elke loopvriendelijke gemeente. “Een vastgesteld voetgangersnetwerk – met aanduiding van hoofdlooproutes – is de basis. Daarmee maak je duidelijk wat de belangrijkste routes zijn, waar verbindingen missen en waar je als eerste aan de slag moet om de kwaliteit te verbeteren. Het vaststellen van andere netwerken, zoals een groen, ontspannen netwerk of het Arnhemse Verbindingsnetwerk, is een goede extra stap.”

Smalle straten en schaarse ruimte

Eén van de meest herkenbare vragen tijdens het webinar ging over ruimte: hoe organiseer je twee meter vrije doorloopruimte in een oude, smalle binnenstad?

Dennis vond de vraag treffend. In het gesprek met Annemieke werd het glashelder: onmogelijk is het nooit. “Vroeger was alle ruimte voor de voetganger. Het is alleen de vraag wat je ervoor over hebt om dat te organiseren.” Zij noemt denkrichtingen als anders omgaan met parkeren, eenrichting voor gemotoriseerd verkeer en het verlagen van snelheden van 30 km/u naar 15 km/u.

Annemieke ziet dat ook dagelijks terug in haar werk. “Iedereen die ik spreek over die twee meter vrije doorloopruimte schrikt daar best van, omdat de ruimte schaars is. Het was een hele relevante vraag, waarvan ik hoop dat deelnemers echt iets hadden aan het antwoord.”

Hoe een goed voetgangersnetwerk eruitziet

Beide sprekers zien een voetgangersnetwerk als meer dan een kaart. Het is een manier om de openbare ruimte logisch en gelijkwaardig in te richten.

Dennis benadrukt het dagelijks gebruik: “Een goed voetgangersnetwerk stelt iedereen in staat om enerzijds comfortabel van A naar B te kunnen lopen en anderzijds prettig een ommetje te maken. Daarmee stimuleren we gelijkwaardigheid en brede welvaart.”

Annemieke vult dit aan met drie kenmerken: “Een goed voetgangersnetwerk is compleet, samenhangend en fijnmazig.” Ze legt uit dat fijnmazigheid verschilt per netwerk: ongeveer 100 meter voor het Basisnetwerk (dat alle voordeuren met elkaar verbindt), zo’n 600 meter voor het Groene netwerk en variabel voor hoofdlooproutes.

Gemeenten die al stappen zetten

In het webinar kwamen meerdere voorbeelden voorbij. Arnhem is een duidelijke koploper met een stadsbreed voetgangersnetwerk.

Dennis noemde daarnaast inspirerende ontwikkelingen in Groningen en Harderwijk. Ook Zwolle werkt aan een interessant voorbeeld, met een interactieve participatievorm die inwoners actief betrekt.

Wat gemeenten vandaag al kunnen doen

Het mooie is dat geen enkele gemeente hoeft te wachten op een groots traject. Je kunt vandaag al beginnen.

Dennis: “Neem de voetganger actief mee in gesprekken, herinrichtingen en plannen voor de openbare ruimte. Een voetgangersnetwerk helpt daarbij, omdat het makkelijker wordt om prioriteiten te stellen met een kaart in de hand.”

Annemieke geeft een heel praktische eerste stap:
“Download de Handreiking Voetgangersnetwerk en ga aan de slag. Begin met tekenen van belangrijke bronpunten en bestemmingen en verbind die met logische looplijnen. Hang de schets op op de afdeling en lok het gesprek uit.”

Webinar terugkijken

Wil je alle verhalen, vragen en voorbeelden zelf horen? Bekijk de volledige opname van het webinar:

Interview: hoe dichtbij is een fijne wandelroute? De Nabijheidsanalysetool geeft antwoord

Nabijheidsanalysetool: links Cas van Hardeveld, rechts Teun Kölner

In april werd die gelanceerd en op 1 oktober bij het Nationaal Voetgangerscongres voor het voetlicht gebracht. De nabijheidsanalysetool is ontworpen door Movares in opdracht van Wandelnet en laat voor iedere Nederlandse wijk zien hoe dichtbij blauwe, groen- en wandelstructuren zijn.

Wat is de aanleiding voor de nabijheidsanalysetool?

Een beetje een open deur, want dat hangt samen met het groeiende belang van lopen. Van Hardeveld: “Lopen wordt steeds belangrijker in ruimtelijke planning en we kwamen erachter dat we niet precies weten hoe de situatie rondom de nabijheid van fijne wandelroutes er nu precies uitziet. De vraag rees van: Hoe kunnen we dat in kaart brengen? Dus zo zijn we aan de nabijheidsanalysetool begonnen die per wijk laat zien hoe het met de nabijheid is, en waar kansen en opgaven liggen.”

Kolner voegt toe: “We hebben dus alle infrastructuur onder de loep genomen. Hoever is dat lopen en hoe is de beloopbaarheid? Zo kan een park hemelsbreed dichtbij liggen, maar dat het door een spoorweg heel ver omlopen is. Voor de tool hebben we als uitgangspunt genomen dat het binnen tien minuten te belopen móet zijn om een positieve beoordeling te krijgen. Aan de drie elementen hebben we geen wegingsfactor gehangen. Natuurlijk zijn het wel factoren die wat zeggen over de aantrekkelijkheid, maar beleving is ook subjectief. Dan moet je bijvoorbeeld ook kijken naar hoe kwalitatief groen het is: de biodiversiteit, de stilte, inclusiviteit en een gevoel van gezelligheid. Dat ligt buiten onze scope.”

Achterliggende wandeldata-sets

Achter de nabijheidsanalysetool zit een hele hoop data. Van Hardeveld: “We hebben voor een deel data gebruikt uit de Nationale Route Databank. “Daarin hebben we zelf onderscheid gemaakt tussen groenstructuren, blauwstructuren en wandelplekken”, neemt Kolner het stokje over. “Daarvoor hebben we bepaald aan welke eisen die structuren moeten voldoen. Dat was geen solo-beslissing, het vloeide voort uit een werksessie met Staatsbosbeheer, Wandelnet en andere loop-experts. Ook hebben we gedeeltelijk de aantrekkelijkheid geprobeerd mee te nemen. Zo zeiden we tegen elkaar dat we een begraafplaats niet meenemen als groenstructuur alhoewel dat wel groene en rustige plekken zijn. Het groen moet wel openbaar toegankelijk zijn en het t moet een bepaalde omvang hebben.

Presentatie nabijheidsanalysetool op Voetgangerscongres

Aandachtspunt: definities kunnen verschillend effecten hebben per locatie

Daarmee heb je gelijk een aandachtspunt van de tool te pakken. Van Hardeveld legt het zo uit: het is een tool met definities die gelden voor heel het land. Alleen niet alle locaties zijn hetzelfde: je hebt de randstad met compacte ruimte, provincies met veel land. Het postzegelpark in Amsterdam wordt bijvoorbeeld niet meegenomen, terwijl het voor de stedelingen wel kan gelden als een oase van groen, rust en lopen. “Het ligt ook aan veel factoren of iets nabij wordt genoemd. Zo kan een stoep iets verder van het water af liggen, wat mooier is, maar niet dichtbij genoeg is. Dan telt die ene stoep dus niet mee. Werken aan nabijheid is daarom ook maatwerk.”

Kolner doet nog de toevoeging dat nabijheid ook verschilt per doelgroep: voor iemand die slecht te been is, is 500 meter al ver, terwijl het voor een fitte dertiger een peulenschilletje is. Op een gegeven moment moet je echter de knoop doorhakken over de definitie. Kolner: “We gebruiken de 10-minutenstad. Dat houdt in dat alle basisvoorzieningen binnen 10 minuten lopend te bereikend moeten zijn. Bij meer dan 10 minuten is de nabijheid slecht, bij 5 zeer goed.”  Vertrekpunt om meer ruimte voor lopen te creëren

Terug naar Van Hardeveld die ons vertelt dat er nog geen inzicht is in welke beleidsmakers de nabijheidsanalysetool hebben gebruikt. Volgens hem is de mogelijke impact dat zij inzicht krijgen in hoe de nabijheid is geregeld. “Dat betekent heel veel voor hoe je de ruimte kan inrichten. Je ziet een transitie naar autovriendelijke binnenstad, de tool helpt je om dat voor elkaar te krijgen.”  Hij wijst erop dat niet alle gemeenten even ver zijn. Sommige hebben het voor de helft van de wijken de nabijheid tot aantrekkelijke wandelroutes goed geregeld, alleen voor een paar wijken niet. “Als je als gemeente aan de slag gaat met die wijken, dan is het al een enorme verbetering.”

En hoe kunnen die gemeente aan de slag gaan met wijken waar de nabijheid slechter is? “Die zijn roodgekleurd op de kaart”, legt Kolner uit. “Als je op die wijk klikt, zie je vervolgens wat het dichtstbijzijnde groenpunt is of de dichtstbijzijnde route. Je ziet dus de ruimtelijke context. Vervolgens kun je een verbinding bedenken om vanuit de slechtere wijk op dat punt te komen: een viaduct, bruggetje, of tunneltje. Daarmee haal je de barrière weg die tot nu dan toe werd ervaren.” “Ik zou hetzelfde zeggen: je krijgt inzicht in barrières”, bevestigt Van Hardeveld. En door de nabijheidstool kun je dan een voor- en na laten zien: de nabijheid vooraf en na de ingreep. “Dus: we hebben gewerkt aan groen. Wat is de impact?”

Inspiratie voor andere gemeenten

Beide hopen dat de nabijheidsanalysetool gemeenten en andere geïnteresseerden inspireert om eens te kijken hoe het in hun gemeente is geregeld. “De informatie die we eruit halen, is echt bedoeld als een vertrekpunt voor verder gesprek. Maatwerk blijft dus nodig: niet ieder stukje blauw of groen zit erin.”

Lees ook wat Wandelnet eerder schreef over de nabijheidsanalysetool: Nabijheidsanalysetool maakt aantrekkelijke wandelomgevingen zichtbaar – Wandelnet.

De City of No en City of Yes

lopend in leeuwarden

De City of No en de City of Yes. In de zomervakantie zagen we deze voorstelling van Remco Deelstra passeren. Hoe zit het ermee? Remco is strategisch adviseur wonen bij gemeente Leeuwarden. Met plezier deelt hij op persoonlijke titel zijn visie met ons.

Kort samengevat is de City of Yes een stad waar kansen ontstaan, iedereen initiatieven omarmt en de kwaliteit van leven voor inwoners, ondernemers en natuur centraal staat. Het tegenovergestelde is de City of No, waar regels, prioriteiten en ontwerpkeuzes onbedoeld mogelijkheden beperken.

Waarom nu het verschil tussen City of No en City of Yes belichten?

“De aanleiding om dit onderscheid te maken, is dat Nederland voor grote uitdagingen staat”, trapt Remco af. “Denk aan: het tekort aan betaalbare woningen, de overgang van aardgas naar duurzame warmte, toegankelijke mobiliteit en migratie. Dat vraagt om goede oplossingen. En de manier waarop steden op deze opgaven reageren, bepaalt hoe effectief de oplossingen zijn.” Daarbij gaat het niet per se om de oplossing zelf, maar des te meer om de houding. Als een stad openstaat voor initiatief, integraal denkt en inwoners betrekt, dan is de kans levensgroot dat oplossingen wél werken en breed gedragen worden.

Lopen fundamentele basis

Volgens de adviseur vormt lopen de fundamentele basis van de City of Yes. “Het stadsleven begint letterlijk direct buiten je voordeur. De kracht van een stad ligt in het vergroten van interactie, waarvoor een vorm van langzaam contact essentieel is.” Bijvoorbeeld lopend of fietsend. Te voet beweeg je je immers op een tempo waarbij je anderen kunt zien, groeten en eventueel bijpraten. Iets wat veel minder gebeurt als je in de auto in hoog tempo voorbijzoeft. Remco: Door lopen te prioriteren kan een stad zich ontwikkelen tot een uitnodigende stad.”

Omslag vaak al zichtbaar

Een ontwikkeling die nu al achter de schermen gebeurt en waarvan de contouren soms al zichtbaar zijn. “Onder andere in veel binnensteden. Daar komt er meer ruimte voor lopen, omdat het een hogere economische waarde heeft. Praktijkvoorbeelden zijn het wandelvriendelijk maken van historische wijken of nieuwbouwgebieden, zoals De Fellingen in Leeuwarden. Die plannen gaan vaak samen met het verdwijnen van de auto. Internationaal zijn de superblocks in Barcelona.”

STOMP een logische en behapbare werkwijze

De weg naar de City of Yes passeert meestal het station van STOMP. Remco: “Dit principe is een logische en behapbare werkwijze die prima te gebruiken is als een maatstaf voor zowel bestaande als nieuwe ontwikkelingen. Juist omdat je het kan gebruiken voor het gesprek in en met de buurt of waarom er tot nu toe nog geen gebruik is gemaakt van dit principe. Dat je daarmee de keuze en de consequentie daarvan (liever parkeerplaatsen dan spelen in de straat) open bespreekt.

Het zou mooi zijn dat dit principe uiteindelijk als de norm van ‘goede ruimtelijke ordening’ wordt beschouwd, waardoor ruimtelijke plannen hieraan moeten voldoen en het logisch wordt dat het merendeel van de mobiliteitsbehoefte van buurtbewoners lopend en fietsend is.”

Bedrijven en bewoners betrokken

Die mobiliteitsbehoefte duidelijk krijgen, begint met het horen van inwoners en ondernemers over wat ‘het goede leven voor hen betekent’. Deze twee groepen worden op verschillende manieren betrokken, omdat ‘het goede leven’ per doelgroep verschilt. Een belangrijk aspect is verbeelding; de meeste mensen zijn visueel ingesteld. De aanpak kan variëren van het opstellen van een grootschalige omgevingsvisie tot het kleinschalig ondersteunen van bewoners om te bepalen wat voor hen werkt, zoals een fijne buurt of wat zij hun kinderen gunnen. Dat je samen de stad gaat maken.”

“Je kunt alleen samen stappen zetten” Groningen zet stappen in loopbeleid en vervult zo wens inwoners

Laura Hagedoorn

“Het idee van onze Loopagenda is ontstaan toen bewoners ons vroegen: kunnen jullie als provincie iets met lopen doen?” zegt Laura Hagedoorn, verkeerskundige en beleidsmedewerker bij provincie Groningen. “We willen Groningen op de kaart zetten als wandelprovincie. En dat begint bij luisteren naar wat inwoners zelf belangrijk vinden.”

Lopen als serieuze pijler in mobiliteitsbeleid

Een jaar geleden stelde provincie Groningen de Loopagenda vast. Die kwam niet uit de lucht vallen: de agenda is onderdeel van het programma Mobiliteit en sluit aan op zowel het Strategisch Programma Verkeersveiligheid als op het bredere beleid rond Brede Welvaart. “Fiets en voetganger staan bij ons samen op één.” De Loopagenda bevat meerdere doelen: van meer veiligheid tot gezondheidsbevordering. En van infrastructuur tot bewustwording.

Geen verstedelijking, wél beweging

Groningen is een grotendeels landelijke provincie, met veel buitengebied. En dat merk je in het beleid. “De ruimte is hier minder schaars, maar er lopen ook minder mensen. Je kunt een perfecte infrastructuur maken, maar dan moeten mensen er wel gebruik van maken.” Die observatie leidde tot een stimuleringsprogramma gericht op doelgroepen die niet vanzelfsprekend wandelen: oudere mensen (65+’ers), jongeren, mensen met een zittend beroep, personen met een visuele beperking én toeristen uit eigen provincie.

Snelle Stappen: kleine ingrepen, grote winst

Een concreet voorbeeld waarop de noordelijke provincie lopen wil stimuleren, is de subsidieregeling Snelle Stappen. Daarin ondersteunt de provincie gemeenten en andere organisaties die terreinen beheren met kleine subsidies voor zichtbare verbeteringen. “We hebben € 240.000,- gereserveerd tot 2027. Daarmee kunnen gemeenten voetgangersoversteekplaatsen aanleggen, stoepen verbeteren of extra verlichting plaatsen voor extra sociale veiligheid.” Kleine maatregelen met grote impact op lokaal niveau. “Het gaat niet om grote bedragen, maar om grote impact op lokale schaal.”

Als voorbeeld noemen we een gemeente die de overgangen tussen stoep en straat verbetert. “Zo’n kleine ingreep kan voor veel mensen het verschil maken tussen wel of niet gaan lopen,” legt Laura uit. “Het is een mooi voorbeeld van een kleine ingreep die de toegankelijkheid verbetert.”

Samenwerken met gemeenten

De provincie is niet de enige speler. “Wij beheren weinig voetpaden zelf. Dus we zijn afhankelijk van gemeenten.” Daarom investeert Groningen niet alleen in subsidies, maar ook in kennisdeling. Er komen sessies met gemeenten en er wordt gewerkt aan een Groningse handreiking, gebaseerd op de CROW-richtlijnen. “We willen dat die toepasbaar is op het buitengebied, zodat gemeenten echt geholpen zijn. En we willen fungeren als kennisexpert. Als vraagbaak voor al hun vragen over voetgangersbeleid. Wij gaan vaak over de grote lijnen, gemeenten over details:  over specifieke wandelroutes of plekken waar de voetgangersvriendelijkheid beter kan.”

Bewoners als aanjagers

Wat ons opvalt tijdens het interview: het loopbeleid ontstond niet achter een bureau, maar uit signalen van inwoners. “Om invulling te geven aan het programma mobiliteit vroegen we tijdens corona aan inwoners wat zij belangrijk vinden in mobiliteit. Veel mensen noemden wandelen als prettige manier van verplaatsen, maar zagen weinig mogelijkheden. Terwijl bewoners misschien wel willen lopen als ze de kans krijgen. Nu wordt er te vaak gedacht: ‘ze nemen wel de auto’.”

Van netwerk naar masterplan

De komende jaren ligt de focus op analyse. “We onderzoeken het loopnetwerk in vier kernen: Bedum, Ter Apel, Hoogezand en Scheemda. Daarmee bouwen we aan een netwerk dat recht doet aan de praktijk.” De analyse moet ook input opleveren voor een breder masterplan loop-infra. Die wil de provincie de komende drie jaar gaan schrijven. “Daarmee willen we straks aantonen dat er extra budget nodig is voor loopinfrastructuur. Zoals eerder is gebeurd met de fiets.” Die aanpak werkt niet alleen voor Groningen, maar is ook inspiratie voor andere provincies die hun loopbeleid willen versterken.

Van zittende werknemer tot wandelende werknemer

Lopen gaat niet alleen over infrastructuur, maar ook over gezondheid. Om die reden zijn de chronische zitters één van de target van het stimuleringsplan van de provincie. “We willen ook mensen met een zittend beroep stimuleren om te wandelen. Bijvoorbeeld in industriegebieden aantrekkelijkere wandelroutes aanleggen voor tijdens de pauze.” Het gaat dus om meer dan vrijetijdswandelen: ook de werkdag zelf wordt onder de loep genomen. “Wandel tijdens je werkdag is iets waar we in de toekomst veel meer op willen inzetten.”

Advies aan andere provincies

Wat kunnen andere provincies leren van het loopbeleid dat provincie Groningen heeft? “Ga in gesprek met je gemeenten en hun inwoners. Vraag wat zij nodig hebben en kijk hoe je kunt ondersteunen. Wij hebben tien gemeenten, dat maakt afstemmen iets makkelijker dan in provincies met tientallen gemeenten. Maar overal geldt: je kunt alleen samen stappen zetten.”

>