“We willen af van eilandjes van toegankelijkheid.” In Hof van Twente werkt Bas Alferink aan een toegankelijkheidsplan voor zes kernen. Een plan waarin loopdata, voetgangersnetwerken en ervaringen samenkomen. Aan ons de eer om hem te bevragen over de Twentse aanpak. Hoe zorg je dat een route niet alleen op papier toegankelijk is, maar ook in het echt?
Beginnen bij wie de route gebruikt
“De gemeente wil in ieder geval toegankelijker worden voor voetgangers”, vertelt Alferink. “We zijn eigenlijk begonnen met een hele analysefase. Voor wie doen we het nou?” Daarbij keek de adviseur mobiliteit en ruimte niet naar de gemiddelde voetganger. Met de gedachte in het achterhoofd dat wat werkt voor iemand die makkelijk loopt, is soms gewoonweg hopeloos voor iemand met een rolstoel, rollator, kinderwagen of visuele beperking.
Alferink: “Iedereen is voetganger, maar ieder individu heeft eigen wensen en behoeften. Daarin maken wij onderscheid in 5 categorieën voetgangers, die je in de afbeelding hieronder ziet. Als je het voor díe mensen goed hebt, kan bijna iedereen zich goed verplaatsen in de openbare ruimte. Dat is het centrale idee erachter. Het gaat om:
- Kinderen;
- Ouderen;
- Mensen met een fysiek hulpmiddel;
- Mensen met een verstandelijke beperking
- Mensen met een zintuigelijke beperking.
“Deze groepen helpen bepalen waar extra loop-kwaliteit nodig is. Bijvoorbeeld routes die ouderen uit een verzorgingshuis veel gebruiken om naar de huisarts of de apotheek te gaan.”

Bepalen waar mensen lopen
De gemeente Hof van Twente bestaat uit zes kernen. Binnen deze kernen brachten Alferink en zijn collega’s bij Goudappel de loopstromen in beeld. “We hebben het Nederlands Loopstromenmodel ontwikkeld”, legt hij uit. “Hierbij is ritgeneratie gecombineerd met daadwerkelijk gemeten verplaatsingen, waarmee een goed beeld ontstaat van de voetgangersintensiteit op een route. Daarbovenop kwam per kern een kaart met voorzieningen. “Waar zitten de scholen? Waar zitten de bushaltes? Waar zitten de zorgcentra? Waar zitten de culturele activiteiten? Ook recreatieve routes telden mee: de routes waar mensen voor ontspanning wandelen. Bijvoorbeeld oudere mensen die even een rondje willen doen vanuit het verzorgingshuis. Die kaart, samen met de kaart waar veel gelopen wordt, geeft aan welke routes mensen willen nemen.” Tel je al die routes bij elkaar op, dan krijg je de contouren van het plaatselijk voetgangersnetwerk.
Ervaringsdeskundigheid bij bepalen toegankelijkheidsniveaus
Om meer inzicht te krijgen in wanneer een route toegankelijk is en wanneer niet organiseerden ze twee werksessies met de klankbordgroep toegankelijkheid. “Met mensen die écht in een rolstoel zitten of minder goed zien. Met hen gingen we om pad om te kijken waar zij tegenaan lopen. Bijvoorbeeld kliko’s op het trottoir, een geleide-lijn die ineen stopt bij een afrit. Op veel plekken in Hof van Twente zagen we dat de intentie goed was, maar de uitvoering minder.”
Al die ervaringen met de klankbordgroep zijn gebundeld en aan de hand daarvan is de kaart gemarkeerd. Welke routes gebruikten zij veel? Door de data te verbinden met ervaringen ontstond een basisnetwerk en hoofdnetwerk. Het basisnetwerk verbindt woningen en voorzieningen; het hoofdnetwerk wijst aan waar meer nodig is.
Extra kwaliteit op het hoofdnetwerk
Alferink legt uit dat ze verschillende niveaus van toegankelijkheid hebben vastgelegd. “De wandelpaden, pleinen en straten binnen het hoofd-voetgangersnetwerk, daarvan wil je dat de toegankelijkheid aan meer eisen voldoet.” Dit is het netwerk waar een stapje extra gewenst is. Een stapje extra in de vorm van: brede voetpaden, geleidelijnen en extra veel rustpunten. “Mensen die minder goed ter been, hebben dan in ieder geval één goede route richting het centrum en de voorzieningen.”
Stoppen met eilandjes
Het belangrijkste inzicht uit de wandeling met de ervaringsdeskundigen was dat toegankelijkheid vaak wel ergens begint, maar niet wordt afgemaakt. “Vaak zijn de bedoelingen goed. Dan legt NS bijvoorbeeld een geleide-lijn op het station, maar sluit deze niet aan op de rest van het netwerk. Dan krijg je eilandjes van toegankelijkheid.”
Voor gebruikers maakt juist dat ontbrekende stukje het verschil. “Je netwerk is pas compleet als het helemaal met elkaar verbonden is. De keten is zo sterk als de zwakste schakel.”
Kiezen voor de voetganger
Tijdens het interview horen we Alferink duidelijk zeggen dat hij het toegankelijkheidsplan voor Hof van Twente vooral ziet als een afwegingskader. Een manier om de voetganger eerder en beter mee te nemen in gemeentelijke keuzes over de openbare ruimte. “Als je zo’n plan hebt, heeft de voetganger een gelijkwaardige positie ten opzichte van andere modaliteiten. Bovendien is straks bij herinrichtingen in één oogopslag duidelijk of een straat onderdeel is van het hoofdnetwerk. En dus ook welk niveau van toegankelijkheid daarbij hoort.
Daarmee wordt het toegankelijkheidsplan voor Hof van Twente meer dan een kaart met routes. Het helpt de gemeente straks bij heel concrete keuzes: krijgt deze hoofdroute genoeg breedte, ligt er een logische oversteek, is er onderweg een plek om te rusten en loopt de geleiding door tot waar iemand echt moet zijn? Precies daar sluit het plan aan bij Ruimte voor Lopen en het Nationaal Masterplan Lopen. Niet lopen als sluitpost in de inrichting, maar als vaste waarde in het ontwerp van iedere kern.
Gemeente Hof van Twente is erg te spreken over die aanpak. Zo horen we terug van Cyril Hummel (beleidsmedewerker WMO). “We zijn erg tevreden met het plan, omdat het ons helpt om verschillende verbeteringen samen te brengen tot een logisch en herkenbaar netwerk van routes. Als gemeente zetten we hier bewust op in, omdat toegankelijkheid voor ons geen losse ingreep mag zijn, maar een samenhangend geheel. Zo werken we toe naar een openbare ruimte waarin mensen erop kunnen vertrouwen dat routes van begin tot eind toegankelijk zijn”.










