Gemeente Deventer maakt verkeerslichten nóg slimmer met nieuwe software

Auto’s en voetgangers die tegelijkertijd aankomen bij een kruispunt. Volgens het STOMP-principe zouden voetgangers op zo’n moment voorrang moeten krijgen, maar dat is in de praktijk lang niet altijd het geval. De gemeente Deventer zet hier grote stappen in. Zo verving Deventer vanaf 2017 alle verkeerslichten door intelligente verkeersregelinstallaties en ondertekende onlangs ook een overeenkomst voor software die de verkeerslichten in de stad nóg slimmer maakt.

Slimmer schakelen met actuele data

Deventer kiest voor Flowtack, software van ingenieursbureau Haskoning. Deze software analyseert verkeersstromen continu en stemt verkeerslichten op ieder moment op elkaar af. Verkeerslichten wisselen onderling informatie uit en reageren daardoor beter op wat er in de stad gebeurt. Dat biedt ruimte om niet alleen verkeer te regelen, maar ook bewuste keuzes te maken voor voetgangers en fietsers.

“De inzet van Flowtack betekent dat we de verkeerslichten nog beter kunnen afstemmen op de actuele verkeerssituatie. Dat zorgt ervoor dat mensen op veel plekken minder lang hoeven te wachten, en door een betere doorstroming van het autoverkeer vermindert het ook de CO2-uitstoot. Bovendien kunnen we met dit systeem keuzes maken die aansluiten op het STOMP-principe, waarbij lopen, fietsen en OV vaker voorop staan.”
– Marcel Elferink, wethouder Mobiliteit

Van losse kruispunten naar een netwerk

Deventer was in 2017 de eerste gemeente in Nederland die volledig overstapte op intelligente verkeersregelinstallaties. Daarmee werd het mogelijk om verkeerslichten flexibeler aan te sturen. Met Flowtack volgt nu een volgende stap: verkeerslichten functioneren niet langer als losse installaties, maar als één samenhangend netwerk.

Dat netwerk maakt het mogelijk om per route andere prioriteiten te stellen. Op drukke doorgaande wegen, zoals het Hanzetracé en de N348, blijft een goede doorstroming van het autoverkeer belangrijk. Op andere plekken kan juist bewust gekozen worden om voetgangers en fietsers eerder groen te geven, zeker wanneer zij tegelijk met auto’s bij een kruispunt aankomen.

STOMP zichtbaar op straat

Het STOMP-principe vormt de leidraad onder deze keuzes: eerst ruimte voor stappen en trappen, daarna openbaar vervoer en deelmobiliteit, en pas als laatste de privéauto. Door verkeerslichten slimmer aan te sturen, wordt dit principe zichtbaar in het dagelijks verkeer. Niet als vast schema, maar als afweging die per locatie en moment kan verschillen.

Veiligheid en hulpdiensten

Het systeem houdt rekening met veiligheid en doorstroming. Minder stilstaand verkeer betekent minder uitstoot en overzichtelijkere kruispunten. Daarnaast kan Flowtack voorrang geven aan ambulance, politie en brandweer, en aan openbaar vervoer. Een bus heeft minder groentijd nodig dan meerdere auto’s, terwijl er vaak veel meer mensen in vervoerd worden.

Samenwerken en blijven bijstellen

De gemeente Deventer en Haskoning sloten een overeenkomst voor een periode van 7 jaar. In die tijd blijft de leverancier actief meedenken over hoe verkeerslichten kunnen blijven aansluiten bij veranderingen in de stad en bij beleidskeuzes. De software wordt de komende tijd verder ingericht en waar nodig aangepast op basis van ervaringen in de praktijk.

Vergelijkbaar voorbeeld uit Arnhem

De aanpak in Deventer staat niet op zichzelf. Eerder liet Ruimte voor Lopen zien hoe bij Presikhaaf in Arnhem intelligente verkeerslichten zijn ingezet om lopen prioriteit te geven. In dat interview vertelde Heidi Kempers, adviseur verkeersmanagement bij Haskoning, dat slimme techniek pas echt effect heeft wanneer vooraf duidelijke keuzes worden gemaakt over wie voorrang krijgt.

Interview: “We werken aan meer aandacht voor lopen in opleidingen met onze gastdocenten”

Al jaren werkt ze als senior projectleider aan een inclusieve openbare ruimte en binnen het Nationaal Masterplan Lopen nam ze een belangrijk actiepunt op zich: lopen beter verankeren in het hoger onderwijs. Wilma Slinger (CROW): “Deels vanuit mijn persoonlijke affiniteit. Ik heb altijd een sterke binding gehad met educatie. Zo heb ik me jarenlang beziggehouden met het kwalitatief toetsen van producten voor verkeerseducatie. Kennis delen zit gewoon in mijn systeem.”

20 gastdocenten

Na een drukke werkweek vertelt ze ons tijdens een gemoedelijk interview over hoe ze zich met anderen inspant om het gastdocentennetwerk te versterken, waarom het curriculum beïnvloeden zo’n taaie opgave bleek en waar volgens haar kansen liggen om lopen breder op kaart te zetten bij opleidingen. Ze vertelt dat er ruim 20 gastdocenten zijn die vanuit hun expertise lessen verzorgen bij diverse opleidingen.

“Dat is heel breed. Iedere docent heeft natuurlijk een eigen expertise. Van beleid en gebiedsontwikkeling tot data, veiligheid, stimuleren van lopen en toegankelijkheid. En ook andere specialismen, zoals groen, voetgangersnetwerken en infrastructurele thema’s, krijgen een plek. Zo kunnen opleidingen kiezen tussen generieke of juist heel specifieke invalshoeken.”

Uitdaging: ervoor zorgen dat opleidingen de gastdocenten beter vinden

Aanbod is er dus voldoende, maar bij de vraagkant is er nog werk aan winkel. “We willen natuurlijk dat opleidingen onze gastdocenten goed gebruiken”, lacht Slinger. “En ik hoor van bepaalde docenten dat ze wél regelmatig een gastles verzorgen, maar uitbreiding is zeker gewenst. Dus één van onze taken is om ingangen bij opleidingen te zoeken: een complexere opdracht dan verwacht. Toch is het doel helder: in februari ligt er een basislijst, waarna we opleidingen actief kunnen benaderen.”

Het liefste ziet ze dat er uiteindelijk een jaarlijks terugkerend schema ontstaat voor gastlessen. “Een patroon zou enorm helpen, want dan groeit het uiteindelijk uit tot een vast onderdeel. En weten we zeker dat ‘lopen’ geborgd is.” De projectleider legt uit dat bij verkeerskundige opleidingen de ingang vaak al goed is. Maar ze wil de horizon verbreden. “Door lopen als thema breder te trekken en ook te kijken naar domeinen als gezondheid, groen, milieu en sport & bewegen.”

Kansen benutten

Waar kansen ontstaan, haakt Slinger aan. Zo heeft ze laatst iemand uit de groensector gesproken die toegang heeft tot groene opleidingen. “Daar vliegen we het anders aan: we zorgen eerst voor een artikel in Vakblad Groen, zodat we daaraan kunnen refereren en een breed publiek kennis maakt met het thema. Daarna gaan we kijken welke mogelijkheden er hier zijn voor gastlessen.” Het is een aanpak die veel tijd en geduld vraagt: je netwerk uitbreiden, de juiste ingang vinden en dan mensen ervan overtuigen dat gastlessen over lopen en de voetganger waarde toevoegen.

Databank met lesmateriaal

Naast het beter voor het voetlicht brengen van de gastdocenten werkt Slinger samen met Ineke Spapé aan een toegankelijk en professioneel overzicht van lesmateriaal. “Spapé is een databank aan het opzetten. Met presentaties, publicaties en werkvormen die gastdocenten kunnen gebruiken. Die worden allemaal gelabeld, zodat een docent meteen voorbeelden ziet. Stel: iemand wil een les van een uur verzorgen over voetgangersdata. Dan kan diegene binnen een paar klikken suggesties krijgen voor zijn of haar presentatie.”

Vooraankondiging video gastdocenten

Tot slot sprak ze vorig jaar bijna alle gastdocenten om te horen wat zij nodig hebben. Daaruit kwam een opvallende wens: zichtbaarheid. “Ze zeiden: het zou leuk zijn als er een video komt waarin we vertellen wat we doen.” Zes docenten werkten mee… en in maart gaat de video in première.

Pilot voor een voetgangersvriendelijk Wyck

Sinds begin januari loopt in Wyck, in de gemeente Maastricht, een pilot die de wijk merkbaar verandert. Minder auto’s op specifieke momenten, meer ruimte en aandacht voor voetgangers. Het doel is helder: Wyck aangenamer en verkeersveiliger maken voor bewoners, ondernemers en bezoekers. Niet door grote verbouwingen, maar door tijdelijke regels die de dagelijkse praktijk testen. Wat gebeurt er als je voetgangers letterlijk meer ruimte geeft in een druk stedelijk gebied?

De pilot Autoluw Wyck loopt 1 jaar. In die periode kijkt de gemeente of de nieuwe inrichting en regels bijdragen aan een voetgangersvriendelijker Wyck. Werkt het niet, dan wordt bijgestuurd. Werkt het wel, dan ligt voortzetting voor de hand.

Wat er concreet verandert

De kern van de pilot zit in de Wycker Brugstraat, een belangrijke straat tussen de Sint Servaasbrug en de Lage Barakken. Op vaste tijden is deze straat afgesloten voor auto’s en motoren. Dat geldt van maandag tot en met vrijdag van 18.00 uur tot 07.00 uur en van zaterdag 18.00 uur tot maandag 07.00 uur. Zondag is de straat dus de hele dag afgesloten voor gemotoriseerd verkeer.

Voor voetgangers betekent dit rust en overzicht. Minder rijdende en parkerende voertuigen zorgen voor meer ruimte om te lopen, over te steken en elkaar te ontmoeten. Fietsers en kleine voertuigen zonder kentekenplicht mogen de straat blijven gebruiken, en hulpdiensten houden altijd toegang.

Veilig oversteken als sleutel voor lopen

Een belangrijk aandachtspunt in de pilot zijn de kruisingen met de Rechtstraat, Wycker Grachtstraat en Lage Barakken. Juist hier steken veel mensen te voet over. Auto’s mogen deze kruisingen blijven gebruiken en daarom is extra aandacht voor veiligheid noodzakelijk.

Tijdens de pilot worden in deze zijstraten nieuwe oversteekplaatsen aangelegd. Dat klinkt eenvoudig, maar het effect is groot. Duidelijke, veilige oversteekplekken nodigen uit om te lopen en zorgen dat routes logisch blijven. Zo wordt Wyck stap voor stap voetgangersvriendelijker, zonder de wijk af te sluiten, en blijven dagelijkse looproutes logisch en veilig.

Laden en lossen anders georganiseerd

Naast rijden en parkeren verandert ook het laden en lossen in Wyck. Voor vrachtwagens boven 3.500 kilogram gelden vaste tijden in de ochtend. Buiten die tijden wordt gebruikgemaakt van een logistieke plek op het Hoogbrugplein, vanwaar goederen met onder andere rolcontainers verder de wijk in kunnen worden gebracht.

Voor bestelbusjes en kleinere voertuigen gelden vergelijkbare tijdvensters, met uitwijkmogelijkheden naar laad- en losplekken in zijstraten. Dit vermindert de drukte op momenten dat veel mensen te voet onderweg zijn. Voor voetgangers betekent dit minder conflicten met bevoorradend verkeer en een prettiger straatbeeld.

Meten is weten: data als basis

De pilot wordt zorgvuldig gevolgd met verkeerstellingen. Het bedrijf GRENSPAAL12 heeft de afgelopen twee jaar verkeerstellingen uitgevoerd naar de bewegingen van gemotoriseerd verkeer, fietsers en voetgangers. Ook tijdens de pilot zullen zij deze telling 2 keer uitvoeren.

GRENSPAAL12:
“Met objectieve data dragen we bij aan een zorgvuldige evaluatie van deze pilot. We kijken uit naar de volgende meetmomenten en zijn benieuwd naar de resultaten!”

Deze data zorgen ervoor dat het gesprek over ruimte voor lopen feitelijk kan worden gevoerd en keuzes beter kunnen worden onderbouwd.

Samen werken aan ruimte voor lopen

De pilot is samen met bewoners, ondernemers en organisaties ontwikkeld. Via werkgroepen, vragenlijsten en bijeenkomsten is kennis uit de wijk benut. Ook nu de pilot loopt, blijft de gemeente in gesprek om waar nodig bij te sturen.

Een gezonde inrichting van de openbare buitenruimte

Smalle stoepen, onderbroken routes en voorzieningen die verder weg liggen dan prettig is. Lopen lijkt vanzelfsprekend, maar in de inrichting van de openbare buitenruimte is dat lang niet altijd het geval. Precies daarom is de nieuwe visie van het RIVM zo relevant. In Een gezonde inrichting van de openbare buitenruimte: vuistregels voor bewegen, groen en ontmoeten laat het RIVM zien hoe lopen expliciet kan worden meegenomen in ruimtelijke keuzes, met concrete, meetbare vuistregels.

Lopen vraagt om ruimte

Bewegen is alleen mogelijk als er daadwerkelijk ruimte voor is. Dat is één van de kernpunten van de RIVM-visie. Het RIVM stelt dat minimaal 25 procent van de openbare ruimte in een buurt primair ingericht zou moeten zijn voor bewegen. Daaronder vallen expliciet lopen, fietsen, spelen en sporten.

Dat is geen vrijblijvende ambitie. Uit analyses blijkt dat in de huidige situatie gemiddeld slechts 11 procent van de ruimte is gereserveerd voor lopen en fietsen. De vuistregels geven gemeenten daarmee een concreet richtpunt om het aandeel beweegvriendelijke ruimte structureel te vergroten.

Cas van Hardeveld (Wandelnet) vat het scherp samen: “In het kader van lopen en wandelen een zeer belangrijk rapport, juist een loopvriendelijke inrichting past als vanzelf in deze kaders.” 

Voorzieningen op loopafstand

Naast ruimte gaat het om nabijheid. De visie werkt met duidelijke afstanden die aansluiten bij het dagelijks leven. Zo stelt het RIVM dat ieder huis binnen 800 meter loopafstand toegang zou moeten hebben tot basisvoorzieningen zoals een supermarkt, basisschool, huisartsenpraktijk en een OV-halte.

Voor beweeg- en sportvoorzieningen gelden kortere afstanden. Kinderen tot en met 12 jaar zouden binnen 200 meter een speelplek moeten hebben, terwijl voor jongeren en volwassenen een beweeg- of sportplek binnen 400 meter wenselijk is. Dit soort afstanden maakt lopen niet alleen mogelijk, maar ook logisch en aantrekkelijk.

Groen als onderdeel van looproutes

Groen speelt een belangrijke rol in de RIVM-visie, ook in relatie tot lopen. Een groenvoorziening binnen 300 meter loop- of fietsafstand van huis betekent dat de meeste mensen binnen 5 minuten een groene plek kunnen bereiken. Idealiter gebeurt dat via een aangename route, met schaduw en beschutting.

Het RIVM verwijst hierbij naar bestaande vuistregels, zoals de 3-30-300 regel*, en onderbouwt deze gezondheidskundig. Groen langs looproutes draagt bij aan verkoeling, stressreductie en nodigt uit om vaker en langer te lopen.

* De 3-3-300 regel houdt in: Zicht op 3 bomen, op buurtniveau is 30% schaduw, op 300 meter lopen is een groengebied van 0,5-1 ha.

Ontmoeten begint op de stoep

Lopen is meer dan verplaatsen. Tijdens het lopen ontstaan ontmoetingen, vaak spontaan en ongedwongen. De RIVM-visie benadrukt daarom het belang van bredere stoepen, comfortabele zitplekken en herkenbare oriëntatiepunten. Stoepen die breed genoeg zijn om even te blijven staan, maken een praatje mogelijk zonder dat anderen worden gehinderd.

De openbare ruimte fungeert op deze manier als decor voor het dagelijks leven, waarin lopen, ontmoeten en verblijven samenkomen.

Van visie naar praktijk

De kracht van deze RIVM-visie zit in de combinatie van wetenschap en toepasbaarheid. De vuistregels zijn niet verplicht, maar geven gemeenten en provincies een stevig, onderbouwd kader om gezondheid volwaardig mee te nemen in ruimtelijke plannen.

Bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Een gezonde inrichting van de openbare buitenruimte: vuistregels voor bewegen, groen en ontmoeten, RIVM-rapport 2025-0155.

Meer ruimte voor lopen bij herinrichting kruispunt in Maartensdijk

Wie te voet het kruispunt Dorpsweg-Nachtegaallaan in Maartensdijk oversteekt, ervaart al jaren onduidelijkheid en onveiligheid. Volgens voetgangers is het lastig te zien waar je veilig kunt oversteken. Ook ontbreken voetpaden langs grote delen van de Dorpsweg en rijdt het verkeer er relatief hard. Het gevolg is een onaantrekkelijke en onveilige route voor voetgangers, met name voor kinderen en ouderen.

Ondanks een eerdere aanpassing van het kruispunt in 2014 is er onvoldoende veranderd. Daarom komt de gemeente De Bilt, na een uitgebreide kruispuntstudie, met een nieuwe aanpak.

Verkeersveiligheid voorop volgens de Mobiliteitsvisie 2035

De herinrichting van het kruispunt past binnen de Mobiliteitsvisie 2035 van de gemeente De Bilt. In deze visie staat verkeersveiligheid voorop, met de ambitie van nul verkeersslachtoffers. Onveilige oversteekplaatsen en kruispunten zijn daarbij een expliciete opgave.

De gemeente werkt in deze mobiliteitsvisie vanuit het STOMP-principe: eerst Stappen, dan Trappen, daarna Openbaar vervoer, vervolgens Mobiliteit als service en tot slot de Privéauto. Dat betekent dat de inrichting van straten en kruispunten in de eerste plaats logisch en veilig moet zijn voor voetgangers. In Maartensdijk geldt bovendien dat alle wegen binnen de bebouwde kom zijn gecategoriseerd als erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur. De Dorpsweg hoort daarmee een verblijfsgebied te zijn, waar langzaam verkeer zich veilig kan bewegen.

Knelpunten op en rond de Dorpsweg

Uit onderzoek komen meerdere knelpunten naar voren. De inrichting van de Dorpsweg biedt onvoldoende ruimte en duidelijkheid voor voetgangers, onder meer door het ontbreken van veilige oversteekplaatsen. Hierdoor blijft de verblijfskwaliteit van de weg achter. Ook sluit de huidige kruispuntinrichting niet aan op het STOMP-principe. Autoverkeer krijgt relatief veel ruimte, terwijl voetgangers geen duidelijke prioriteit hebben.

Daarnaast speelt de dorpsidentiteit van Maartensdijk een rol. De Dorpsweg is de centrale as van het dorp. De inrichting zou moeten bijdragen aan rust, overzicht en ruimte voor ontmoeting, met aandacht voor groen en een herkenbaar dorps karakter.

Drie oplossingsrichtingen onderzocht

In 2025 zijn drie mogelijke oplossingsrichtingen onderzocht. Tijdens een informatiebijeenkomst en een aparte schouw met de School met de Bijbel dachten bewoners, belanghebbenden en kinderen mee. Alle varianten zijn beoordeeld op verkeersveiligheid, duidelijkheid en inpasbaarheid binnen de bestaande ruimte.

De zogenoemde traditionele inrichting kreeg op de informatieavond veruit de meeste steun. Van de 38 aanwezigen spraken 26 hun voorkeur uit voor deze variant. Bij de oplossingsrichting ‘natuurlijk sturen’ bestond begrip voor de uitgangspunten, maar leefden ook zorgen over de herkenbaarheid en voorspelbaarheid van de inrichting. De oplossingsrichting ‘shared space’ werd door bewoners overwegend als onduidelijk en risicovol beoordeeld.

De traditionele inrichting als voorkeursrichting

De gekozen voorkeursrichting zorgt voor een compact en verhoogd kruispunt dat snelheid remt. Voor voetgangers ontstaan korte en overzichtelijke oversteekroutes, waarbij de Dorpsweg en de Nachtegaallaan zonder hoogteverschillen kunnen worden overgestoken.

Fietsers en gemotoriseerd verkeer maken gebruik van hetzelfde kruisingsvlak. Dat benadrukt gelijkwaardigheid tussen weggebruikers en verhoogt de attentiewaarde. Door het gebruik van elementenverharding valt het kruispunt duidelijk op in het straatbeeld en wordt de verblijfskwaliteit versterkt.

Deze inrichting sluit aan bij de uitgangspunten van de Mobiliteitsvisie 2035 en het STOMP-principe. Tegelijkertijd past de traditionele inrichting bij het dorpse en landschappelijke karakter van Maartensdijk. Het ontwerp is uitvoerbaar binnen de bestaande ruimte en vormt een logische eerste stap richting een toekomstige herinrichting van de hele Dorpsweg als volwaardige 30 km/uur-zone.

In 2026 werkt de gemeente De Bilt het ontwerp voor het kruispunt verder uit. De uitvoering wordt verwacht eind 2026 of in de loop van 2027.

Dit project laat zien waar het Nationaal Masterplan Lopen voor staat. Door lopen als uitgangspunt te nemen, ontstaat een openbare ruimte die overzichtelijk, veilig en uitnodigend is. Precies de beweging die nodig is om dorpen en steden wandelvriendelijker te maken, stap voor stap.

Kleine obstakels, grote impact: vijf tips voor toegankelijke stoepen

Voor veel mensen is lopen op de stoep een vanzelfsprekend onderdeel van hun dagelijkse routine. Even naar de winkel, een ommetje door de buurt of op weg naar werk. Maar voor rolstoelgebruikers en mensen met een visuele beperking is dat lang niet altijd vanzelfsprekend. Losliggende tegels, verkeerd geparkeerde fietsen of overhangend groen maken lopen of rollen soms onnodig lastig.

Rolstoelgebruiker Lieke Wernsen en Bianca van Raaij, die een blindegeleidestok gebruikt, ervaren dit dagelijks. Zij zijn beiden lid van het Zelfregiecentrum Nijmegen en weten uit eigen ervaring hoe kleine obstakels grote gevolgen kunnen hebben voor de toegankelijkheid van de openbare ruimte. Hun boodschap is helder: een wandelvriendelijke omgeving begint vaak bij bewust gedrag van ons allemaal.

Zet je fiets op een daarvoor bestemde plek

Een fiets die snel op de stoep wordt neergekwakt. Het lijkt onschuldig; toch kan dit voor iemand met een beperking betekenen dat die er niet meer langs kan. Dat de doorgang volledig wordt geblokkeerd. Het zijn allemaal onnodige obstakels: fietsen die schuin staan, omgevallen zijn of buiten de rekken zijn geplaatst. Als mensen hun fiets altijd in een fietsenrek of op de aangewezen plek zetten, blijft de stoep toegankelijk voor iedereen. Dit zijn kleine keuzes die direct bijdragen aan de beloopbaarheid en betere toegankelijkheid van de buurt.

Houd containers uit de loopruimte

Containers horen bij het straatbeeld, zeker op ophaaldagen. Dat ze tijdelijk op de stoep staan is logisch, maar de manier waarop maakt een groot verschil. Een container die de volledige stoep verspert, dwingt mensen soms de rijbaan op met alle gevolgen van dien. Het advies van de twee is daarom om containers niet te vroeg buiten te zetten, ze zo snel mogelijk weer binnen te halen en zo te plaatsen dat er voldoende loopruimte overblijft. Zo blijft de stoep bruikbaar iedereen, ook voor mensen met een rollator, rolstoel, blindegeleidestok of kinderwagen.

Groen, bladeren en losliggende tegels

Daarnaast benoemt het artikel nog een aantal obstakels. Bijvoorbeeld overhangende takken en struiken. Zij vormen een reëel probleem, vooral voor mensen die een blindegeleidestok gebruiken. Die stok detecteert obstakels op de grond, maar niet wat op hoofdhoogte hangt. Weggeveegde bladeren of sneeuw werpen nieuwe barrières op als ze richting hellinkjes of oversteekplaatsen worden geschoven. En natuurlijk zijn gaten en losliggende tegels een risico, vooral voor mensen die slecht ter been zijn. Het gevaar op struikelen ligt op de loer. Belangrijk is daarom dat inwoners zulke problemen snel melden, want dit kan en hoef je niet zelf op te lossen.

Wernsen zegt: "Op het moment dat er meldingen binnenkomen bij de gemeente, kan er actie worden ondernomen. Als we allemaal een steentje bijdragen, dan komen we ergens.”

Bewust gedrag als basis voor loopvriendelijke straten

“Als we ons allemaal bewust zijn van dingen in de omgeving, dan wordt deze voor iedereen prettiger en toegankelijker”, zegt Van Raaij. Die bewustwording is een onmisbare schakel in het creëren van wandelvriendelijke buurten. Tegelijk laat dit verhaal zien dat individuele acties hand in hand moeten gaan met structureel loopbeleid.

Bron: De Gelderlander: Geef slechtzienden en rolstoelers ruim baan. Met deze vijf tips maak je voor hen het verschil.

Gespot op Mobiliteit.nl: STOMP als kans voor de schil rond binnensteden

STOMP is meer dan een volgorde. In de schil rond binnensteden kan het principe richting geven aan keuzes voor lopen. Voor verblijven en voor bereikbaarheid. Zo lezen we in het interview ‘STOMP als kans voor de schil rond binnensteden’ op Mobiliteit.nl, waarin experts van Keypoint, Accent adviseurs en Goudappel hun visie delen.

STOMP als ordenend principe

In het interview op Mobiliteit.nl wordt STOMP gepositioneerd als een manier om mobiliteit te ordenen vanuit de mens. De volgorde Stappen, Trappen, Openbaar vervoer, Mobiliteit als service en Privéauto helpt om bewuster na te denken over welke vormen van mobiliteit prioriteit krijgen in verschillende gebieden.

Patrick Duwel (Keypoint) benadrukt in het interview dat binnensteden altijd onderdeel zijn van een bredere regio. Hij zegt: “Een binnenstad staat niet op zichzelf en is een herkomst of bestemming in een bredere regio. Vooral als een stad in een meer landelijke regio ligt, heeft die stad een sterke regionale functie. De principes vanuit STOMP kunnen onzes inziens goed worden toegepast, maar primair gaat het daarbij om de keten van de reiziger in te richten.”

De schil rond binnensteden als kansgebied

Volgens Jos Wijnen en Stijn Engels van Accent adviseurs gaat de aandacht in beleid vaak uit naar binnensteden of juist naar regionale verbindingen. De schil rond binnensteden blijft daarbij regelmatig onderbelicht, terwijl juist daar veel dagelijkse verplaatsingen plaatsvinden.

In het interview stellen zij: “Het STOMP-principe is een herkenbaar principe om actieve vormen van mobiliteit hoger te prioriteren bij de inrichting van de openbare ruimte. STOMP geeft een begrijpelijk kader voor ‘buitenstaanders’ voor de gewenste mobiliteitstransitie.” Daarmee maken zij duidelijk dat STOMP helpt om lopen en andere actieve vormen structureel mee te nemen in beleid en ontwerp.

Lopen als startpunt voor inrichting

Bas Alferink (Goudappel) benadrukt in het interview dat STOMP helpt om keuzes te maken in de openbare ruimte waarbij de mens centraal staat. Hij zegt: “Het STOMP-principe plaatst de mens centraal bij de inrichting van de openbare ruimte. Het biedt een ordeningskader waarbij duurzame en ruimte-efficiënte vormen van mobiliteit – zoals lopen, fietsen, deelmobiliteit en openbaar vervoer – voorrang krijgen boven minder duurzame zoals de auto.” Die benadering zorgt ervoor dat looproutes logischer worden en dat de kwaliteit van verblijven toeneemt.

Deze manier van denken sluit aan bij bredere ontwikkelingen zoals de 15-minuten-stad, waarin dagelijkse voorzieningen bereikbaar zijn te voet en lopen een vanzelfsprekend onderdeel is van actieve mobiliteit.

Relevantie voor Ruimte voor Lopen

Het interview op Mobiliteit.nl laat zien hoe STOMP kan bijdragen aan een wandelvriendelijke stad, juist buiten het historische centrum. Door lopen centraal te stellen in de schil rond binnensteden ontstaat een betere verbinding tussen wijken en centrum en wordt actieve mobiliteit aantrekkelijker voor een brede groep mensen. Deze inzichten sluiten aan bij de ambitie van Ruimte voor Lopen om van lopen een volwaardige vorm van mobiliteit te maken en structureel mee te nemen in beleid en ontwerp.

Wil je de volledige context, voorbeelden en nuancering lezen? Lees het hele interview: STOMP als kans voor de schil rond binnensteden – Mobiliteit

Rob Methorst over lopen nu en in de toekomst

Rob Methorst

“Met de oprichting van het platform Ruimte voor Lopen is de basis gelegd”, zegt Rob Methorst. “Maar het besef dat de voetganger een onmisbare schakel is in mobiliteit en leefbaarheid moet nog dieper doordringen. We zijn er niet door erover te praten, maar door het structureel en oprecht mee te nemen in beleid.” Met die woorden legt hij de basis voor het tweede deel van een tweeluik.

Utilitair lopen

Methorst ziet het belang van lopen niet alleen in de recreatie, maar vooral in de functionaliteit. “Er zijn veel mensen die niet ‘voor de lol’ lopen, maar om ergens te komen: naar het openbaar vervoer, naar de winkel, naar de dokter.” Voor hen is lopen een noodzakelijke manier van verplaatsen. Dit grotere doel, de ‘breedte’ van de voetganger, lopen en verblijven in de openbare ruimte, moeten beleidsmakers in zijn ogen ook erkennen. In de jaren die volgden na de oprichting van het platform Ruimte voor Lopen in 2017, volgden jaren waarin voetgangersbeleid niet alleen als een kwestie van infrastructuur werd gezien, maar als een onlosmakelijk onderdeel van stadsplanning. “Lopen is een voorwaarde om de stad leefbaar te maken voor iedereen, ongeacht leeftijd of  beperking.”

MENSenSTRAAT en Wandelnet: de opgaven voor de toekomst

Afgelopen maanden is de organisatie MENSenSTRAAT, waarvan Methorst de secretaris is, opgegaan in Wandelnet. Juist om krachten te bundelen voor de voetgangersbelangen. “We merkten dat de leden van MENSenSTRAAT ouder werden, en er was het gevaar dat kennis en focus verloren gingen. We kunnen het ons niet veroorloven om het momentum te verliezen”, kijkt Methorst terug. “Daarom besloten we te kijken naar hoe we de expertise konden behouden.” Deze zoektocht leidde dus tot de integratie van MENSenSTRAAT binnen Wandelnet. Een overgang die strategisch belangrijk was: “We wilden ervoor zorgen dat voetgangersbelangen niet in de vergetelheid zouden raken.”

Het samengaan van MENSenSTRAAT en Wandelnet betekent meer dan alleen een administratieve fusie; het vertegenwoordigt een verdieping van de visie op voetgangersbeleid. “De integratie was noodzakelijk om de belangen van voetgangers een stevige plaats in het bredere mobiliteits- en leefbaarheidsbeleid te geven. Het vergrootte onze invloed en zichtbaarheid.” Zijn woorden illustreren een pragmatische aanpak: voetgangers moeten niet alleen op de agenda staan, maar ook daadwerkelijk invloed uitoefenen op de besluitvorming.

Lopen als volwaardige modaliteit in het mobiliteitsbeleid

Door het hele interview heen benadrukt Methorst één belangrijk punt: iedereen moet lopen gaan zien als volwaardige modaliteit van vervoer. Met de komst van Ruimte voor Lopen is daar in zijn woorden een stevige basis voor gelegd. Nu is het belangrijk om voetgangers in het bredere beleid te verankeren, niet alleen mobiliteitsbeleid, maar ook rondom thema’s als gezondheid, verduurzaming, klimaatdaptatie en vergroening. “Laten we niet langer doen alsof lopen een bijzaak is”, zegt hij. “Het moet echt het uitgangspunt zijn.” Zijn pleidooi aan beleidsmakers? “Omarm deze verschuiving.”

Dit kan volgens de belangenvoorvechter alleen als er aandacht is voor de fysieke omgeving, zoals brede trottoirs en veilige oversteekplaatsen. Maar ook als er voldoende kennis en regie is op het gebied van stadsplanning en voetgangersveiligheid. Methorst wijst op de enorme invloed die een weloverwogen voetgangersbeleid kan hebben op de leefbaarheid van steden en dorpen: “Meer ruimte om te lopen, betekent veelal een betere omgeving waarin mensen elkaar spontaan kunnen ontmoeten.”

Blik naar de toekomst

Als Methorst naar de toekomst kijkt, ziet hij vooral een Nederland waar lopen als vanzelfsprekend een plaats inneemt als waardevolle mobiliteitsmodaliteit. “Het is tijd om lopen niet alleen als functionele, maar ook als een plezierige én gezonde modaliteit te zien.” Zijn harde werk heeft bijgedragen aan de verschuiving in denken over lopen, maar de strijd voor een voetgangersvriendelijke samenleving is nog lang niet voorbij.

De stille revolutie van lopen: Rob Methorst over decennia pleiten voor voetgangersbelangen

Rob Methorst

In Nederland draait mobiliteit vaak om de auto en de fiets. Toch heeft Rob Methorst zich al tientallen jaren ingezet voor een groep die vaak over het hoofd wordt gezien: de voetganger. Altijd onderstreepte hij het belang van lopen als volwaardige vervoersmodaliteit. In dit interview vertelt hij over zijn passie, de rol van Ruimte voor Lopen en de toekomst van voetgangersbeleid.

Motivatie en passie voor lopen

Rob Methorst is al sinds de jaren ’80 actief in de strijd voor de belangen van voetgangers. “Toen ik begon, had gemotoriseerd verkeer de prioriteit”, zegt hij met enige nostalgie. “Fietsers kregen al redelijk wat aandacht, maar voetgangers waren nog nauwelijks een punt van discussie.” Vanaf 1990 werkte hij voor de Voetgangersvereniging Nederland. Dat was slechts het begin van een carrière die zijn stempel zou drukken op het beleid voor voetgangers. Voetgangers in Nederland en daarbuiten.

Methorst vond al snel dat de kennis over voetgangersbeleid niet zomaar geïmporteerd kon worden. “Als je wilt bijdragen aan de voorhoede van iets, moet je ook in die voorhoede staan”, legt hij uit. “Het is veel te specifiek om te vertrouwen op inkoop van kennis.” Toen de vereniging fuseerde met Veilig Verkeer Nederland, koos hij daarom eieren voor zijn geld en begon aan een loopbaan bij de rijksoverheid.

Rijkswaterstaat en proefschrift bij TU Delft

Bij Rijkswaterstaat werd hij onder meer aanspreekpunt bij adviesvragen over kwetsbare verkeersdeelnemers, wat zijn interesse in voetgangersveiligheid verder aanwakkerde. Een onderwerp dat in andere landen meer aandacht kreeg dan bij ons. Precies de reden waarom Methorst samenwerking en input zocht uit het buitenland. Wat begon als samenwerking groeide uit tot een Europees project waar wel 70 Europese wetenschappers aan bijdroegen, dat in 2010 werd afgesloten door een Walk21 congres in Den Haag Een grote internationale conferentie over lopen.

Uiteindelijk schreef Methorst zijn proefschrift aan de TU Delft over voetgangersbeleid. Met in 2021 de kers op de taart: de publicatie van zijn proefschrift: ‘Exploring the Pedestrians Realm, – An overview of insgights needed for developing a generative system approach to walkability’ “Het ging niet alleen om de problemen die voetgangers ondervinden, maar om het hele systeem waarin lopen zich afspeelt”, benadrukt hij.

Ruimte voor Lopen en de positionering van voetgangers in Nederland

Met de oprichting van Ruimte voor Lopen in 2017 kreeg het voetgangersdomein eindelijk een platform dat de belangen van voetgangers en andere stakeholders structureel vertegenwoordigt. Methorst ziet dit als een belangrijk keerpunt. “Tot die tijd was er geen landelijk verband waarin voetgangers überhaupt een rol hadden”, herinnert hij zich. “Er werd zelfs ontkend dat voetgangers een betekenisvolle rol speelden in het mobiliteitsbeleid.” Zijn woorden getuigen van een diepe frustratie over de lange tijd dat voetgangers geen serieuze plaats kregen in het beleidsdebat. Hij moet bijvoorbeeld denken aan Walk21 2010 “Op de website van het ministerie van Verkeer en Waterstaat was er niets over te vinden.”

Volgende week kijken we in deel 2 van het tweeluik over Rob Methorst naar het heden en de toekomst van lopen.

Interview: Dennis van Wieren over zijn bijdrage tijdens het Nationaal Voetgangerscongres

Interview Dennis van Wieren

Voetgangersvriendelijke steden komen niet vanzelf tot stand. Tijdens het Nationaal Voetgangerscongres op 1 oktober, met als thema Kiezen voor lopen, lieten Dennis van Wieren en Noa Hamacher (Sweco) zien waarom toegankelijkheid begint bij het proces en niet alleen bij het ontwerp. Hun sessie bouwde voort op het werk aan de nieuwe Leidraad Toegankelijkheid en de Landelijke Richtlijn Akoestische Signalering bij Verkeerslichten voor mensen met een visuele beperking. Wat betekent dit voor gemeenten en ontwerpers? En waarom is de stem van de doelgroep daarin onmisbaar? In dit interview blikken we met Dennis terug op de belangrijkste inzichten.

De urgentie van toegankelijkheid

Hoewel de voetganger de laatste jaren meer aandacht krijgt in beleid en ontwerp, ziet Dennis dat toegankelijkheid nog steeds achterblijft. “Lopen is de meest basale manier van verplaatsen, maar de voetganger heeft nog steeds niet de volle aandacht,” zegt hij. Sweco werkt voor CROW aan de Leidraad Toegankelijkheid en aan de Landelijke Richtlijn Akoestische Signalering bij Verkeerslichten voor mensen met een visuele beperking. De ervaringen uit deze projecten vormden de rode draad van de presentatie die Dennis samen met Noa Hamacher gaf. “‘Design for all’ betekent immers dat de openbare ruimte voor iedereen geschikt moet zijn om te lopen,” benadrukt hij. “Helaas is dat nog lang niet overal het geval.”

Het belang van houding en bewustzijn 

In de sessie benadrukten Dennis en Noa dat toegankelijkheid niet alleen draait om technische maatregelen. “Toegankelijke openbare ruimtes vereisen de inzet van vele betrokkenen,” vertelt Dennis. Volgens hem weten ontwerpers en verkeerskundigen vaak goed wat er moet gebeuren, maar is het hoe en waarom minstens zo belangrijk. “Zodoende wordt niet zomaar wat gedaan, maar is men meer bewust van de noodzaak en meerwaarde.” De doelgroep speelt daarin een cruciale rol. “Eén belangrijke betrokkene mag bij de uitwerking van de plannen niet ontbreken: de doelgroep zelf.” Volgens Dennis maakt het betrekken van ervaringsdeskundigen toegankelijkheid concreet en toepasbaar.

Waarom richtlijnen meer vragen dan techniek

Wie denkt dat landelijke richtlijnen vooral een technische exercitie zijn, vergist zich. “Omdat je te maken hebt met verschillende belangen en specifieke richtlijnen en eisen voor mensen, is het van belang om goed naar elkaar te luisteren en je in te leven in de doelgroep,” legt Dennis uit. Hij ziet dat er snel aannames worden gedaan, bijvoorbeeld dat iets “wel acceptabel zal zijn” voor gebruikers. Daarom moet betrokkenheid doorlopen in alle fasen: van planvorming tot uitvoering en beheer. “Waarom niet evalueren en monitoren of het beoogde doel bereikt is?” vraagt Dennis zich af. Dat maakt toegankelijkheid een doorlopend proces dat je steeds kunt aanscherpen.

Hoe gemeenten toegankelijkheid kunnen verankeren

Volgens Dennis kunnen gemeenten en ontwerpers direct aan de slag, zonder dat daar ingewikkelde stappen voor nodig zijn. Hij verwijst naar de Gouden Driehoek, die bestaat uit opdrachtgever, inhoudsdeskundige en ervaringsdeskundige. “Deze samenwerking is essentieel om tot compleet advies te komen,” benadrukt hij. Door vakinhoudelijke kennis te verbinden met praktijkervaring ontstaan oplossingen die technisch kloppen en werken voor iedereen die zich lopend door de openbare ruimte beweegt. Een gemeente kan een werkgroep met ervaringsdeskundigen oprichten of de samenwerking zoeken met een bestaande groep, zoals gemeente Nijmegen doet met het Zelfregiecentrum Nijmegen. In de sessie lieten Dennis en Noa aan de hand van sprekende voorbeelden zien dat je deze werkwijze morgen al kunt toepassen in nieuwe projecten. Zo lieten ze zien dat ze voor de Leidraad Toegankelijkheid met de werkgroep op pad zijn geweest met mensen met Alzheimer. Zij benadrukten dat oversteeklocaties overzichtelijk moeten zijn en dat duidelijk moet zijn wat er van de gebruiker wordt verwacht.

Voor de Landelijke Richtlijn Akoestische Signalering bij Verkeerslichten zijn enkele locaties met verkeerslichten samen met de doelgroep bezocht. Ook maakte de projectgroep zelf een geblinddoekte oversteek. “We hebben ervaren hoe het is om het groen of rood alleen te kunnen horen in plaats van zien.”

Daarnaast is het belangrijk om duidelijk aan te geven waarom een aanpassing in de openbare ruimte nodig is. Als het belang van een aanpassing helder is, krijg je de verschillende betrokkenen, zoals uitvoerders, beheerders en omwonenden, makkelijker mee.

Waarom samenwerking met de doelgroep onmisbaar is

De belangrijkste oproep van Dennis en Noa was duidelijk: “Doe geen aannames en ga de samenwerking met de doelgroep aan.” Dat kan al eenvoudig door locaties samen te bezoeken of ontwerpkeuzes te toetsen bij mensen die afhankelijk zijn van duidelijke routes, voelbare overgangen of akoestische signalen.

Deze werkwijze sluit aan op het Nationaal Masterplan Lopen, dat inzet op een openbare ruimte die wandelvriendelijk is en waarin iedereen zelfstandig en veilig kan lopen. Door proces, inhoud en ervaring structureel te verbinden, wordt toegankelijkheid steeds meer een onderdeel van goed loopbeleid waar Ruimte voor Lopen aan werkt.

Inspirerend: ‘Sportief ontwerp openbare ruimte alleen is geen garantie voor beweging’

Beweegruimte Noud van Herpen / Nout van Herpen. Foto: Sportkracht12

“Dit gaat niet alleen over stoeptegels of toestellen.” Zo klinkt door in het verhaal van Noud van Herpen, programmamanager bij Sportservice Noord-Brabant. Volgens hem draait het bij het zoeken en vinden van voldoende beweegruimte in Nederland om veel meer dan de fysieke inrichting.

“Je redt het niet met alleen hardware, de fysieke inrichting van de openbare ruimte”, zegt hij bij Stadszaken.  In zijn ogen moet je beweging organiseren. “Dat begint bij het combineren van functies. Een bankje is niet alleen om te zitten, maar kan ook onderdeel zijn van een beweegroute.”

Model van de Beweegvriendelijke Omgeving (BVO)

Om beter grip te krijgen op al die schakels die een omgeving beweegvriendelijk maken, ontwikkelde onze partner het Kenniscentrum Sport & Bewegen het model van de Beweegvriendelijke Omgeving (BVO). Een mooi model dat bestaat uit 3 elementen:

  1. Hardware: sportaccommodaties, speelplekken, wandelroutes, paden en recreatiegebieden.
  2. Software: activiteiten, begeleiding, communicatie en interventies die op de plekken plaatsvinden.
  3. Orgware: alles rondom beleid, beheer, samenwerking en eigenaarschap.

In het ideale geval zijn deze drie in evenwicht. Volgens Van Herpen geldt: “Hoe minder goed de fysieke ruimte is ingericht op bewegen, hoe harder je moet leunen op de software en orgware.” Het theoretische BVO-model krijgt handen en voeten in uiteenlopende praktijksituaties.

Kans: beweging als vanzelfsprekend thema bij ontwerpers.

Een mooie stap in de goede richting is BVO, toch merkt Van Herpen dat beweging nog geen vanzelfsprekend thema is bij ontwerpers. “Ze zijn vaak heel goed in groen, maar geven zelf aan dat ze weinig weten van bewegen. Dat neem ik ze niet kwalijk, maar daar ligt wel een kans.”

Relevantie voor Ruimte voor Lopen

Het artikel ‘Sportief ontwerp openbare ruimte alleen is geen garantie voor beweging’ is direct relevant voor Ruimte voor Lopen. Zo dragen wij ook uit dat lopen meer is dan stoeptegels en paden: het gaat om een integrale benadering. Het genoemde BVO-model kunnen we gebruiken om te laten zien dat lopen altijd een combinatie van factoren is. Het valt goed te koppelen aan onze eigen kennis en praktijkvoorbeelden.

Lopen preventieve gezondheidsaanpak

Tot slot roept Van Herpen op om beweegruimte te zien als investering in gezondheid en wij ondersteunen deze oproep. Het Nationaal Masterplan Lopen positioneert lopen nadrukkelijk als een preventieve gezondheidsaanpak: meer lopen maakt lichamelijk en mentaal gezonder. Het voorkomt stilzitten en kan zorgkosten verlagen. Naast gezondheid verbinden we lopen ook met duurzaamheid, mobiliteit en sociale cohesie. Ons masterplan benadrukt dat een beweegvriendelijke omgeving een investering is in een gezondere, duurzamere en leefbare toekomst.

Copyright foto: Nout van Herpen. Foto: Sportkracht12

Hoe gemeenten vandaag al kunnen beginnen met een voetgangersnetwerk

Webinar voetgangersnetwerken: links Dennis van Sluijs, rechts Annemieke Molster

Steeds meer gemeenten willen hun omgeving loopvriendelijker maken, maar de vraag waar je begint, blijft vaak hangen. Tijdens het webinar over voetgangersnetwerken vertelden verschillende sprekers over hun ervaringen. In dit artikel zoomen we in op de inzichten van Dennis van Sluijs (Arcadis) en Annemieke Molster (Gemeente Arnhem).

Waar begin je als gemeente?

Voor veel gemeenten begint het met bewustwording, vertelt Dennis. “Het is belangrijk dat elke gemeente een eigen voetgangersnetwerk heeft dat de hele stad of gemeente aaneengesloten bereikt. Zo doorbreken we barrières en maken we de stad voor iedereen bereikbaar.”

Ook de complexiteit valt mee, benadrukt hij. Er ís al veel kennis. “Het opstellen van een voetgangersnetwerk is niet zo lastig als het lijkt. Er zijn al veel theorieën en praktijkvoorbeelden om uit te leren.”

Annemieke sluit daarop aan. Voor haar vormt een netwerk de basis van elke loopvriendelijke gemeente. “Een vastgesteld voetgangersnetwerk – met aanduiding van hoofdlooproutes – is de basis. Daarmee maak je duidelijk wat de belangrijkste routes zijn, waar verbindingen missen en waar je als eerste aan de slag moet om de kwaliteit te verbeteren. Het vaststellen van andere netwerken, zoals een groen, ontspannen netwerk of het Arnhemse Verbindingsnetwerk, is een goede extra stap.”

Smalle straten en schaarse ruimte

Eén van de meest herkenbare vragen tijdens het webinar ging over ruimte: hoe organiseer je twee meter vrije doorloopruimte in een oude, smalle binnenstad?

Dennis vond de vraag treffend. In het gesprek met Annemieke werd het glashelder: onmogelijk is het nooit. “Vroeger was alle ruimte voor de voetganger. Het is alleen de vraag wat je ervoor over hebt om dat te organiseren.” Zij noemt denkrichtingen als anders omgaan met parkeren, eenrichting voor gemotoriseerd verkeer en het verlagen van snelheden van 30 km/u naar 15 km/u.

Annemieke ziet dat ook dagelijks terug in haar werk. “Iedereen die ik spreek over die twee meter vrije doorloopruimte schrikt daar best van, omdat de ruimte schaars is. Het was een hele relevante vraag, waarvan ik hoop dat deelnemers echt iets hadden aan het antwoord.”

Hoe een goed voetgangersnetwerk eruitziet

Beide sprekers zien een voetgangersnetwerk als meer dan een kaart. Het is een manier om de openbare ruimte logisch en gelijkwaardig in te richten.

Dennis benadrukt het dagelijks gebruik: “Een goed voetgangersnetwerk stelt iedereen in staat om enerzijds comfortabel van A naar B te kunnen lopen en anderzijds prettig een ommetje te maken. Daarmee stimuleren we gelijkwaardigheid en brede welvaart.”

Annemieke vult dit aan met drie kenmerken: “Een goed voetgangersnetwerk is compleet, samenhangend en fijnmazig.” Ze legt uit dat fijnmazigheid verschilt per netwerk: ongeveer 100 meter voor het Basisnetwerk (dat alle voordeuren met elkaar verbindt), zo’n 600 meter voor het Groene netwerk en variabel voor hoofdlooproutes.

Gemeenten die al stappen zetten

In het webinar kwamen meerdere voorbeelden voorbij. Arnhem is een duidelijke koploper met een stadsbreed voetgangersnetwerk.

Dennis noemde daarnaast inspirerende ontwikkelingen in Groningen en Harderwijk. Ook Zwolle werkt aan een interessant voorbeeld, met een interactieve participatievorm die inwoners actief betrekt.

Wat gemeenten vandaag al kunnen doen

Het mooie is dat geen enkele gemeente hoeft te wachten op een groots traject. Je kunt vandaag al beginnen.

Dennis: “Neem de voetganger actief mee in gesprekken, herinrichtingen en plannen voor de openbare ruimte. Een voetgangersnetwerk helpt daarbij, omdat het makkelijker wordt om prioriteiten te stellen met een kaart in de hand.”

Annemieke geeft een heel praktische eerste stap:
“Download de Handreiking Voetgangersnetwerk en ga aan de slag. Begin met tekenen van belangrijke bronpunten en bestemmingen en verbind die met logische looplijnen. Hang de schets op op de afdeling en lok het gesprek uit.”

Webinar terugkijken

Wil je alle verhalen, vragen en voorbeelden zelf horen? Bekijk de volledige opname van het webinar:

>