“We wilden geen brug, maar een opgetild park dat de stad verbindt” – Han Goodijk over passerelle Zwolle

Passerelle Zwolle

De nieuwe verbinding over het spoor in Zwolle is allesbehalve een standaardoplossing. Wat begon als een technische opgave, transformeerde tot een plek waar lopen vanzelfsprekend is. Ontwerper Han Goodijk van de gemeente laat zien hoe je met ontwerp niet alleen ruimte maakt, maar ook gedrag beïnvloedt.

Een nieuwe verbinding voor de stad

Zwolle groeit, vooral in het gebied achter het station (de Spoorzone). Daar komen duizenden woningen en nieuwe functies samen. Al heel lang bestond er het gevoel dat dit gebied losligt van de binnenstad. “Het spoor is echt een barrière,” klinkt Goodijk. “Om aan de andere kant te komen, moest je óf ver omlopen óf door de NS-tunnel met je OV-chipkaart. Niet handig; je wilt dat mensen zich onderdeel van de stad voelen.” Die ambitie vraagt om meer dan alleen een verbinding; het vraagt om een plek die logisch aanvoelt in je dagelijks gebruik. Niet iets waar je even overheen moet, maar iets dat onderdeel is van je route.

Van brug naar opgetild park

“In de allereerste brainstorm ontstond een opvallende gedachte”, blikt de ontwerper terug. “Geen traditionele brug, maar een openbare ruimte die doorloopt. Eigenlijk wilden we de straat gewoon optillen en over het spoor heen trekken.” Dat idee groeide uit tot wat je nu ervaart als een opgetild park. De bestrating loopt door, er zijn bomen, plantvakken en zitplekken. Alles precies zoals op de Stationsweg. Alles voelt vertrouwd, alsof je gewoon verder loopt door de stad.

Beweging als vanzelfsprekendheid

Een belangrijk uitgangspunt: de passerelle moet aanspreken om overheen te gaan. Goodijk: “Je wilt niet dat mensen denken: ‘zucht, daar moet ik nog overheen. Een ellenlange brug met keiharde wind in mijn gezicht.’ Je wilt dat mensen prettig van het ene punt naar het andere kunnen lopen. “Om die reden kreeg de brug een subtiele S-vorm: zo wordt de gezichtslijn beperkt. Je ziet nooit het einde, maar steeds het volgende stukje waar je naartoe gaat. Ondertussen veranderen je zichtlijnen. Je kijkt richting de Peperbus, daarna weer naar het station.”

Bovendien is de brug breder dan noodzakelijk: 10 meter. “Een bewuste keuze”, volgens Goodijk. “Het gaat niet alleen om doorstroming van voetganger, des te meer om verblijfskwaliteit.” Die extra ruimte geeft mooie mogelijkheden om groenvakken aan te leggen, bankjes neer te zetten en te verblijven. De filosofie erachter? “Dat maakt lopen minder doelgericht en juist aantrekkelijker.”

Onderdeel van een groter netwerk

De passerelle staat niet op zichzelf. Zwolle werkt al langer aan een stad waarin lopen een volwaardige plek krijgt. “Het gaat niet alleen om één plek, maar om een heel, netwerk,” zegt Goodijk. In zijn ogen is de passerelle een schakel in een fijnmazig netwerk van wandelroutes door de stad. “Zwolle past het STOMP-principe toe: voetganger en fietser staan voorop in de inrichting van de openbare ruimte.” Hij legt uit dat ze die methode heel nadrukkelijke gebruiken in het stadshart. Dat zie je terug in keuzes voor groen, toegankelijkheid en logische routes. Maar ook in wat je niet ziet: zo min mogelijk borden en bewegwijzering. “De ruimte zelf moet mensen verleiden om verder te lopen.”

In samenwerking met ProRail, ontwerpbureaus en Dura Vermeer

De mooie passerelle is geen soloproject van gemeente Zwolle: ProRail en ontwerpbureaus Karres en Brands, Ipv Delft en het Duitse Miebach werkten mee aan het ontwerp van de duurzame loopbrug. Dura Vermeer bouwde ‘m uiteindelijk. Daarbij keek het ontwerpteam heel nadrukkelijk naar inclusie en toegankelijkheid. “Hoe zorg je dat iedereen zich welkom voelt?” Dat vroegen ze zichzelf af, zo blikt Goodijk terug. “We hebben echt geprobeerd om de passerelle voor iedereen toegankelijk te maken.
De glazen balustrade maakt het mogelijk om ook zittend te kijken naar de treinen. Kleine keuzes, met grote impact op de beleving.”

Een uitnodiging om te lopen

Wat misschien nog wel het meeste opvalt, is hoe mensen de plek gebruiken. “Ze komen er niet alleen om over te steken”, vertelt Goodijk enthousiast lachend. “De brug zegt eigenlijk: kom, blijf. En dat gebeurt ook. Mensen maken speciaal omwegen, blijven even zitten of nemen spontaan een andere route.” De passerelle maakt daarmee zichtbaar wat goed loopbeleid kan doen: het verandert niet alleen de ruimte, maar ook hoe mensen die ruimte gebruiken.

Van bushalte tot buitengebied: dit maakt de Voetgangerscheck zichtbaar

Hoe wandelvriendelijk is een route eigenlijk? Dat lijkt een eenvoudige vraag, maar wie goed kijkt ziet dat de openbare ruimte voor verschillende mensen heel anders kan werken. Voor kinderen, ouderen of mensen met een toegankelijkheidsvraag kan een route ineens een obstakel worden. De Voetgangerscheck van Arcadis helpt gemeenten om dat zichtbaar te maken. In Amersfoort werd de methodiek toegepast bij vijf oversteken langs de Bunschoterstraat, een belangrijke verbinding tussen de stad en het buitengebied van Hoogland.

Een bushalte die niet voor iedereen bereikbaar is

Een van de plekken die werd bekeken is de bushalte Zeldertseweg langs de Bunschoterstraat in Hoogland. Tijdens de Voetgangerscheck worden alle aanlooproutes naar zo’n halte beoordeeld.

“Het uitvoeren van een voetgangerscheck houdt in dat wij, aan de hand van de voetgangersbehoeftepiramide, de openbare ruimte beoordelen,” vertelt Dennis van Sluijs van Arcadis. “We doen dit door op locatie een uitgebreide schouw uit te voeren waarin we verschillende routes en richtingen lopen. We verplaatsen ons tijdens de schouw in de belevingswereld van diverse voetgangers, bijvoorbeeld kinderen, ouderen en mensen met een toegankelijkheidsvraag.”

Tijdens de schouw bij de bushalte in Hoogland werd duidelijk dat deze niet voor iedereen goed toegankelijk is. De reden? De geleidelijnen voor mensen met een visuele beperking blijken niet volgens de huidige richtlijnen te zijn aangelegd. Daardoor kan deze doelgroep de bushalte niet gebruiken.

Eerst de basis op orde

De Voetgangerscheck werkt met de voetgangersbehoeftepiramide. Dat model laat zien dat eerst de basis op orde moet zijn voordat hogere kwaliteiten effect hebben.

In het buitengebied rond Hoogland bleek bijvoorbeeld dat op sommige plekken een stuk voetpad ontbreekt langs een parallelweg. Daardoor moeten voetgangers over de rijbaan lopen. Voor kinderen kan dat een reden zijn om een route helemaal niet te gebruiken, omdat het niet veilig voelt of ouders het niet toestaan.

Ook voor mensen met een toegankelijkheidsvraag kan onvoldoende beheer en onderhoud grote gevolgen hebben. Losliggende of verzakte tegels zorgen er bijvoorbeeld voor dat iemand in een rolstoel hier niet meer zelfstandig gebruik van kan maken.

Toegankelijkheid wordt vaak onderschat

Volgens Dennis wordt toegankelijkheid van de openbare ruimte nog te vaak onderschat: “Toegankelijkheid gaat namelijk om meer dan alleen mensen die slechtziend zijn of in een rolstoel zitten. Wij onderscheiden daarin vijf categorieën: mensen met een fysiek hulpmiddel, mensen met een zintuigelijke toegankelijkheidsvraag, mensen met een cognitieve toegankelijkheidsvraag, ouderen en kinderen.”

Veel van deze groepen worden volgens hem nog onvoldoende gezien in het ontwerp en beheer van de openbare ruimte.

“Veel van deze doelgroepen worden niet, of onvoldoende, gezien en gehoord in de openbare ruimte. Er zijn echt investeringen nodig om te voldoen aan het VN-Verdrag Handicap. Op elke plaats waar ik loop, of het nu tijdens werk of vrije tijd is, zie ik voorbeelden waar mensen met een toegankelijkheidsvraag niet zelfstandig gebruik kunnen maken van de openbare ruimte.”

“Verbeteringen voor mensen met een toegankelijkheidsvraag zijn voor bijna elke voetganger een verbetering.” – Dennis van Sluijs, adviseur Loopstromen & Voetgangers bij Arcadis

Van inzicht naar verbetering

De Voetgangerscheck leverde de gemeente Amersfoort concrete inzichten op. De gemeente gebruikt deze inzichten om de verbinding tussen stad en buitengebied te verbeteren. “De check gaf ons een beeld van de beloopbaarheid van de stad-land-verbindingen over de Bunschoterstraat,” vertelt Houkje Hibma, adviseur landschap en recreatie bij de gemeente Amersfoort. “Samen met de provincie gaan we kijken waar we aan de slag kunnen met snelle verbeteringen, bij de aanlooproutes naar de bushaltes bijvoorbeeld.”

Zo wordt aan de westzijde van de Bunschoterstraat gewerkt aan een nieuw wandelpad dat Hoogland beter verbindt met het omliggende landschap. Daarbij wordt ook gekeken naar extra voetpaden zodat de route veilig en toegankelijk wordt voor iedereen.

“We laten hier enorme gezondheidswinst liggen, terwijl de oplossing zo dichtbij is”

Rutger de Graaf over ruimte voor lopen voor ouderen.

“Tijdens mijn werk in de ouderenzorg zag ik dagelijks wat er gebeurt als bewegen uit beeld raakt.” Om die reden zet Rutger de Graaf zich bij partner Beweegalliantie in als cirkeltrekker voor ‘Ruimte voor Lopen voor ouderen.’

Wanneer het het hardst nodig is, verdwijnt lopen

Een cirkel die hard nodig is, want er is een patroon dat De Graaf maar al te goed herkent vanuit zijn zorgachtergrond. Hoe ouder mensen worden, hoe minder ze bewegen. “Het gekke is: juist als mensen op latere leeftijd komen, wordt lopen belangrijker. Voor lichaam en het brein. Toch verdwijnt het langzaam uit beeld. Niet per se omdat ouderen niet meer kunnen lopen, maar om dat ze drempels ervaren.”

Je ziet niet altijd wat mensen tegenhoudt te loepn

Wie denkt dat ouderen niet willen wandelen, kijkt volgens de beweeg-expert niet goed genoeg. De motivatie is er vaak wel, maar er zit iets onder. “Als iemand zegt: ik heb geen zin, dan is dat zelden het hele verhaal. Het kan iets praktisch zijn, zoals een groep die te snel loopt. Maar net zo goed iets persoonlijks. Schaamte bijvoorbeeld, of angst om onderweg naar de wc te moeten. Dat zijn geen onderwerpen die je snel bespreekt, maar ze bepalen wel gedrag. En dus ook of iemand de deur uitgaat of niet.”

 Ruimte voor Lopen voor ouderen - een wandelgroep

Daar komt bij dat het aanbod niet altijd aansluit. Veel wandelgroepen zijn gericht op fitte ouderen. Wie kwetsbaarder is, valt buiten de boot. “Juist de mensen voor wie het het belangrijkst is, haken daardoor af.” En dat terwijl het verschil tussen wel en niet bewegen groot is. Voor gezondheid, zelfstandigheid en sociale contacten.

Kleine ingrepen, groot effect

Met de cirkel Ruimte voor Lopen voor ouderen probeert De Graaf het tij te keren. Niet met grote systemen of losse projecten, maar juist met praktische oplossingen. Experimenten zijn er in Woerden en Zaanstad. Met themawandelingen bijvoorbeeld, waarin ontmoeten centraal staat. Of laagdrempelige wandelgroepen, begeleid en gratis. Maar misschien nog belangrijker: het gesprek aangaan. Tijdens die wandelingen vragen begeleiders actief wat mensen tegenhoudt. Wat ze nodig hebben. Wat er anders kan. “Dan merk je dat er vaak maar weinig nodig is om iemand weer in beweging te krijgen.” Soms is dat een rustiger tempo. Soms een vertrouwde begeleider. Soms gewoon de zekerheid dat je onderweg ergens terechtkunt bij een toilet.

Het zijn kleine aanpassingen, maar met grote impact. En misschien is dat wel de belangrijkste les. Dat de oplossing niet ingewikkeld hoeft te zijn. “Het is echt laaghangend fruit,” zegt De Graaf. “We hoeven het alleen te plukken.”

De kracht van een duwtje op het juiste moment

Een van de meest veelbelovende inzichten zit volgens De Graaf in de rol van zorgprofessionals. Niet zozeer als begeleider, maar als motivator. “Als een zorgverlener af en toe een zetje geeft, gebeurt er verrassend veel.” Dat kan al heel concreet zijn. Niet zeggen dat iemand meer moet bewegen, maar wijzen op een wandeling in de buurt. Of iemand daar actief naartoe doorverwijzen. Daarmee wordt lopen ineens iets tastbaars. Iets wat je kunt doen, op een plek die je kent, met mensen die bij je passen.”

Groot-Brittannië heeft die aanpak al verder ontwikkeld. Daar is ‘walking on prescription’ onderdeel van het zorgsysteem. “En wat je daar ziet, is dat het niet alleen gezonder is, maar ook financieel rendement oplevert.” Voor elke pond die ze investeren in bewegen/lopen, komt er 1,82 terug. Een opvallend cijfer dat laat zien hoeveel kansen er nog liggen.

Van losse initiatieven naar een vanzelfsprekende keuze

De ambitie van De Graaf is helder: wandelen moet geen uitzondering zijn, maar een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven. Ook als je ouder wordt. “Het zou eigenlijk zo moeten zijn dat elke oudere weet: hier kan ik lopen, op een manier die bij mij past.” Daarvoor is meer nodig dan alleen aanbod. Het vraagt om samenwerking tussen gemeenten, zorg, welzijn en lokale initiatieven. Maar ook om een andere manier van kijken. Lopen niet als extraatje, maar als basis. Als onderdeel van actieve mobiliteit én van een wandelvriendelijke leefomgeving.

Hoe verschillende opvattingen van ruimte onze steden vormgeven

Wie naar een stad kijkt, ziet straten, stoepen en gebouwen. Maar volgens filosoof Dirk-Jan Laan is dat nog geen ruimte. Ruimte ontstaat pas wanneer mensen zich bewegen. Dat inzicht zet aan tot anders kijken naar hoe we onze steden inrichten.

Drie opvattingen van ruimte

Laan beschrijft drie opvattingen van ruimte die impliciet aanwezig zijn in de inrichting van onze openbare ruimte. De absolute ruimte is de meest technische: een wereld van vierkante meters, afstanden en efficiëntie. De relatieve ruimte kijkt naar verschillen tussen gebruikers. Zo ziet de stad er voor een automobilist anders uit dan voor een fietser of voetganger. De relationele ruimte ontstaat pas wanneer mensen zich bewegen en handelen in de tijd.

“Het gaat niet zozeer om welke opvatting ‘waar’ is. Het is waardevol om de keuzes die gemaakt worden te onderkennen en te bevragen wat daarmee verloren gaat en gewonnen wordt,” aldus Laan. Deze opvattingen bestaan vaak naast elkaar, zonder expliciet benoemd te worden. Juist daardoor blijven ontwerpkeuzes vaak impliciet.

De stad bestaat pas als we bewegen

“Pas in een proces, waarbij de dimensie van tijd wordt toegevoegd, ontstaat ruimte.” Laan maakt dit concreet met een alledaags voorbeeld: iemand die zijn huis verlaat, naar de supermarkt loopt en onderweg een omweg maakt langs een park. Die wandeling is niet alleen een verplaatsing, maar vormt de ruimte zelf. Zonder beweging blijft de straat een verzameling objecten. Met beweging ontstaat een route, een ervaring en een plek.

Relationele ruimte laat zien dat ruimte niet vastligt, maar steeds opnieuw ontstaat in gebruik. Daardoor is die ruimte lastig te vangen in ontwerp. Want elke wandeling is anders. De route die de één kiest, is niet dezelfde als die van een ander, zelfs als ze op dezelfde plek beginnen.

Volgens Laan vraagt dat om een andere manier van inrichten. Niet alles vastleggen, maar ruimte laten voor wat er kan ontstaan. Het plein is daar een goed voorbeeld van: een open plek zonder vaste route, waar mensen zelf bepalen hoe ze bewegen en verblijven.

Ook het woonerf laat zien hoe dat in de praktijk werkt. Daar delen verschillende gebruikers dezelfde ruimte en ontstaat het gebruik in het moment. Tegelijkertijd heeft dat ook een keerzijde. Minder regels en structuur zorgen voor meer vrijheid, maar maken beweging ook minder voorspelbaar en vaak trager.

Eén straat, meerdere werkelijkheden

In de praktijk wordt ruimte vaak ingericht vanuit verschillende gebruikers. “Voor een voetganger zijn borden, bankjes en beplanting van grote waarde.” Dat perspectief verschilt sterk van dat van een automobilist, die vooral gebaat is bij overzicht en snelheid. Laan laat zien dat deze relatieve opvatting van ruimte de basis vormt van veel straten in Nederland. De ruimte wordt ingericht op basis van wie er gebruik van maakt.

Tegelijkertijd stelt hij de vraag waarom juist deze indeling zo vanzelfsprekend is. Waarom kijken we vooral naar vervoersmiddelen? En wat gebeurt er als je andere perspectieven centraal stelt?

Wat er gebeurt als efficiëntie leidend is

De absolute opvatting van ruimte maakt zichtbaar wat er gebeurt als efficiëntie centraal staat. De snelweg is daarvan het meest duidelijke voorbeeld. “Op de snelweg bestaat alleen de weg vooruit; de enige ruimte die bestaat is de afstand tot je bestemming die steeds kleiner wordt.” In zo’n omgeving draait alles om doorstroming en snelheid. Andere kwaliteiten, zoals verblijf of beleving, spelen nauwelijks een rol.

Dat laat zien dat elke opvatting van ruimte iets oplevert, maar ook iets uitsluit.

Anders kijken naar lopen

De analyse van Laan maakt zichtbaar dat ruimte het resultaat is van keuzes. Welke opvatting leidend is, bepaalt hoe onze straten en pleinen functioneren. Voor wie werkt aan een wandelvriendelijke leefomgeving is dat een relevante vraag. Want als lopen serieus wordt genomen, verschuift ook het perspectief van waaruit ruimte wordt ontworpen.

Dit artikel is gebaseerd op een analyse van filosoof Dirk-Jan Laan op Gebiedsontwikkeling.nu.

Arnhem kiest voor lopen: Van veilige schoolzones tot weetings in het park

Arnhem maakt serieus werk van lopen. Met het loopbeleid ‘Arnhem Loopstad’ zet de gemeente in op veilige routes, gezondere inwoners en een stad waar lopen steeds aantrekkelijker wordt.

Lopen als vanzelfsprekende keuze

Lopen is misschien wel de meest onderschatte vorm van mobiliteit. In Arnhem kijken ze daar anders naar. Daar wordt het niet alleen gezien als een manier om van A naar B te komen, maar ook als sleutel tot een gezondere en aantrekkelijkere stad.

Wethouder duurzame mobiliteit Nermina Kundić verwoordt het helder: “We zien graag dat meer inwoners korte afstanden lopend afleggen.” Die ambitie is concreet uitgewerkt in het Duurzaam Mobiliteitsplan. Daarmee krijgt lopen een structurele plek in beleid én in de praktijk.

Veilige routes als basis

Een wandelvriendelijke stad begint bij veilige en prettige routes. Zeker op plekken waar veel mensen samenkomen, zoals winkelgebieden en ov-knooppunten. “Mensen willen korte, veilige routes van en naar bushaltes en treinstations. Zijn die er niet, dan kiezen ze minder snel voor bus of trein”, legt Kundić uit. Daarmee benadrukt ze hoe sterk lopen verbonden is met het openbaar vervoer.

De gemeente investeert daarom in hoofdlooproutes: belangrijke verbindingen rond voorzieningen en drukke plekken. Ook komen er extra oversteekplaatsen en worden wachttijden bij verkeerslichten verkort. Het zijn relatief kleine ingrepen, maar ze maken een groot verschil in hoe mensen de stad ervaren.

Gezondheid als drijvende kracht

De focus op lopen hangt ook samen met gezondheid. Nederlanders zitten veel, soms tot wel 9 uur per dag. Meer lopen betekent simpelweg meer bewegen en dat heeft direct effect op hoe fit mensen zich voelen.

Daarom richt het beleid zich niet alleen op de inrichting van de openbare ruimte, maar ook op gedrag. Denk aan het stimuleren van lopen tijdens werk of in de vrije tijd, bijvoorbeeld door vaker korte afstanden te lopen.

Van schoolroutes tot weetings

Wat opvalt in Arnhem is de brede aanpak. Het beleid bevat meer dan 20 maatregelen die samen zorgen voor verandering in het dagelijks leven. Zo werken scholen samen met de gemeente aan een veilige schoolzone bij elke school. Hiermee wordt lopen bij kinderen gestimuleerd. Want “Als je dit als kind leert, neem je het mee voor de rest van je leven”, legt Kundić uit.

Ook werkgevers worden betrokken. Lunchwandelingen helpen om lange zitdagen te doorbreken. En een sprekend voorbeeld is de ‘weeting’: de meeting tijdens een wandeling. “Al wandelend ben je vaak creatiever, scherper en productiever,” zegt Kundić.

Arnhem als inspiratie voor andere steden

Arnhem laat zien hoe je lopen concreet maakt. Niet met abstracte ambities, maar met ingrepen die direct effect hebben op straatniveau én in het dagelijks leven van inwoners. Voorbeelden die andere gemeenten kunnen inspireren.

Lopen begint in de klas: interesse in een gastdocent?

Gastdocenten Ruimte voor Lopen

Lopen krijgt pas echt vaart als het een vaste plek krijgt in het onderwijs. Niet als bijzaak, maar als volwaardig onderdeel van hoe we steden, dorpen, straten en pleinen ontwerpen. Precies daar zetten onze gastdocenten op in.

Een groeiend netwerk van expertise

In een nieuwe video vertellen zes van de ruim 20 gastdocenten van Ruimte voor Lopen hoe zij opleidingen helpen om lopen te verankeren in het curriculum. Hun kennis loopt uiteen van loopbeleid en gebiedsontwikkeling tot data, veiligheid, toegankelijkheid en groen. Die breedte is geen toeval. Juist die combinatie helpt studenten om anders te kijken naar de openbare ruimte en de rol van de voetganger daarin serieus te nemen. Het netwerk groeit snel, maar is nog niet overal bekend. Daarom werken we aan meer zichtbaarheid en een vast ritme van gastlessen, zodat lopen structureel onderdeel wordt van opleidingen zoals verkeerskunde, gezondheid en sport & bewegen.

Toegankelijkheid als blinde vlek

“De weg moet voor iedereen toegankelijk zijn,” stelt Maureen Walen. Als adviseur bij Zicht op Toegankelijkheid laat zij zien hoe vaak toegankelijkheid nog wordt vergeten. “Ook als je minder goed ziet, minder goed kan lopen of het minder goed begrijpt.” In haar gastlessen maakt ze dit concreet. Ze laat zien hoe je een buitenruimte ontwerpt die logisch en bruikbaar is voor iedereen. Want nog te vaak ontwerpen we voor de norm, terwijl een wandelvriendelijke omgeving juist vraagt om inclusiviteit. Voor opleidingen ligt hier een duidelijke kans om die blinde vlek te dichten en studenten beter voor te bereiden op de praktijk.

Gedrag als sleutel tot verandering

“Ik geef les over loopbeleid,” zegt Marieke van Brussel. Ze stelt haar studenten direct een scherpe vraag: hoe geef je dat straks vorm in je werk? Vanuit haar rol bij Provincie Overijssel laat ze zien dat infrastructuur alleen niet genoeg is. Gedrag speelt een cruciale rol. Wat helpt mensen om te gaan lopen? Wat houdt ze tegen? En hoe vertaal je dat naar beleid dat werkt in het dagelijks leven? Met campagnes, kleine ingrepen en slimme combinaties van lopen en OV maakt ze die vertaalslag concreet en toepasbaar.

Lopen wordt pas vanzelfsprekend als kennis, beleid en praktijk samenkomen. Het gastdocentennetwerk van Ruimte voor Lopen draagt daar direct aan bij. Het sluit naadloos aan op het Nationaal Masterplan Lopen, waarin het doel helder is: lopen positioneren als een volwaardige en vanzelfsprekende vorm van mobiliteit en leefomgeving.

Rotterdam loopt: hoe wandelroutes de stad in beweging brengen

Op het Eendrachtsplein in Rotterdam staat een klein glazen gebouwtje met een groot verhaal: het Tramhuis. Het voormalige wachthuisje voor tramreizigers uit 1914 is nu een plek waar wandelroutes, verhalen en ontmoetingen samenkomen. Het laat zien hoe Rotterdam stap voor stap verandert in een stad waarin lopen vanzelfsprekender wordt.

Van wachtplek naar beweging

In het Tramhuis, de eerste stadswandelingenkiosk ter wereld, koop je routes, hoor je verhalen en vertrek je op pad door Rotterdam. Het is geen klassieke toeristische voorziening, maar een plek waar bewoners en bezoekers de stad opnieuw leren kennen. De nadruk ligt op beleving en verbinding. Onder de noemer Hartstochtjes worden wandelingen georganiseerd die bewoners met hun wijk en met elkaar verbinden. Daarmee wordt lopen onderdeel van het dagelijks leven.

Groene routes als ruggengraat van de stad

Rotterdam zet stevig in op groene verbindingen. De Groene Connectie is daar een krachtig voorbeeld van. Over 8 kilometer worden groene initiatieven in Delfshaven verbonden tot één netwerk van ontmoetingsplekken. Het lint slingert langs spoorlijnen, singels en havengebieden en brengt bewoners met elkaar in contact. Onderweg kom je tuinen en parken tegen waar mensen samen werken aan een groene buurt. Je kunt de hele route lopen of kiezen voor kortere ommetjes van 2 tot 3 kilometer. Zo wordt lopen vanzelfsprekend onderdeel van de leefomgeving.

Ook De Groene Overschiese laat zien hoe zulke verbindingen werken. In het gebied tussen de Schie en de Rottemeren ontstaat een netwerk van groene plekken, met wandelroutes van 2 tot 8 kilometer. Bewoners zetten zich actief in voor een groenere omgeving waar iedereen van kan genieten.

Een route vol landschap en geschiedenis

De Steilrand laat zien hoe landschap en geschiedenis samenkomen. Dit 13,5 kilometer lange gebied in het noorden van Rotterdam ontstond door turfwinning en laat nog steeds hoogteverschillen zien. Het is nu een groen gebied met bloemrijke weides, rustige oevers en leefruimte voor vogels, vleermuizen en insecten. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan meer biodiversiteit, onder andere door bloemen en kruiden in te zaaien en minder te maaien. Voor bewoners is het een plek om even uit de drukte van de stad te stappen.

Van stadsrand tot regionaal netwerk

Rotterdam kijkt verder dan de eigen grenzen. Dat zie je terug in routes zoals het Rotterdams Ommelandpad. Deze route van ongeveer 150 kilometer loopt op de grens van stad en platteland en maakt het omliggende landschap beter bereikbaar. Langs de route liggen boerderijen, natuurgebieden en cultuurhistorische plekken die uitnodigen om de omgeving opnieuw te ontdekken.

Nog groter is het Mazenpad, een route van 222 kilometer die begint en eindigt in het centrum van Rotterdam. De route laat zien hoeveel natuur en buitenruimte er te vinden is, zelfs in een dichtbebouwd gebied. Dankzij de goede bereikbaarheid kun je zelf etappes kiezen.

Beleid en initiatief komen samen

Wat Rotterdam bijzonder maakt, is de wisselwerking tussen beleid en initiatieven uit de stad. In 2020 presenteerde Gemeente Rotterdam de visie Rotterdam Loopt tijdens Walk21 Foundation. Daarmee werd lopen gepositioneerd als onderdeel van stedelijke ontwikkeling.

De voorbeelden in dit artikel laten zien wat er daarna gebeurt. Bewoners, ontwerpers en organisaties bouwen verder aan dat idee, ieder vanuit hun eigen rol. Voor gemeenten zit daar een belangrijke les: wandelvriendelijk beleid krijgt pas echt betekenis als het zichtbaar wordt in routes en plekken waar mensen gebruik van maken.

Investeren in een loopvriendelijke binnenstad loont

De detailhandel krimpt, maar sommige binnensteden groeien juist. Hoe dat kan? Niet door méér winkels, maar door betere plekken om te verblijven, waar de voetganger centraal staat. Het Koopstromenonderzoek Randstad 2025 laat zien dat centrumgebieden in de Randstad die investeren in kwaliteit, vergroening en een sterke functiemix meer bezoekers trekken én beter worden gewaardeerd. Tegelijkertijd verandert ook de manier waarop mensen zich door die centra bewegen: het aandeel voetgangers neemt toe, terwijl de rol van de auto afneemt. Dat maakt één ding duidelijk: wie inzet op een loopvriendelijke binnenstad, investeert niet alleen in leefbaarheid, maar ook in economische vitaliteit.

Kwaliteit van de openbare ruimte bepaalt het succes

Wat maakt een centrum aantrekkelijk? Niet alleen winkels. Niet alleen horeca. Maar juist de kwaliteit van de openbare ruimte. Het onderzoek laat zien dat bezoekers kritischer zijn geworden. Rapportcijfers voor sfeer, veiligheid en beleving staan onder druk, terwijl de scores op groen en voorzieningen zoals bankjes en toiletten juist verbeteren.

Dat is veelzeggend. Dit zijn precies de elementen die bepalen of een gebied echt wandelvriendelijk is. Centra die hierin investeren, zien direct resultaat. In Alkmaar en Purmerend, waar stevig is ingezet op vergroening en klimaatadaptatie, waarderen bezoekers de kwaliteit van groen bijna een vol punt hoger dan in 2021, aldus het hoofdrapport. Dat zijn geen kleine verschillen, maar het verschil tussen ergens snel iets kopen en ergens willen blijven.

Lopen is geen bijzaak, maar economische motor

Interessant is dat het onderzoek ook een nuance aanbrengt: autobezoekers geven gemiddeld meer uit per bezoek dan voetgangers. Maar dat is maar een deel van het verhaal. Voetgangers komen vaker, verblijven langer en dragen bij aan de levendigheid van een gebied. Zeker nu centra zich ontwikkelen tot multifunctionele plekken met winkels, horeca, cultuur en ontmoeting, wordt dat verblijf steeds belangrijker.

“Investeren in een brede mix van functies en het creëren van een aantrekkelijke, schone en groene openbare ruimte waar de voetganger voorrang heeft loont!”
– Aart Jan van Duren, Sweco

Die ontwikkeling zien we niet alleen in de grote steden, maar juist ook in middelgrote centra die gericht investeren in kwaliteit en verblijf.

Van losse ingrepen naar structurele keuzes

Een belangrijke les uit het onderzoek is dat losse ingrepen niet voldoende zijn. Zo heeft het neerzetten van bloembakken en het ophangen van verlichting volgens het rapport relatief beperkte invloed op de beleving, de waardering en het bezoekgedrag. Wat werkt wel? Integrale keuzes.

Denk aan een slimme mix van functies, een aantrekkelijke looproute, voldoende verblijfsplekken en een openbare ruimte die uitnodigt om te blijven. Dat vraagt om samenwerking tussen gemeenten, ondernemers, vastgoedeigenaren en bewoners én om consistente investeringen op de lange termijn. Precies daar zit de kans voor gemeenten die werk willen maken van actieve mobiliteit.

Van winkelgebied naar verblijfsgebied

De grootste verschuiving die het Koopstromenonderzoek laat zien, is misschien wel deze: centrumgebieden zijn geen winkelgebieden meer, maar verblijfsgebieden. Oudere bezoekers maken volgens het rapport graag een wandelingetje en hechten meer waarde aan sfeer, uitstraling, groen en water.

Dat vraagt om andere keuzes in ontwerp en beleid. Minder focus op doorstroming, meer aandacht voor verblijf. Minder denken in functies, meer in beleving. Een centrum wordt pas echt sterk als het prettig is om er te lopen. Niet als je er moet zijn, maar als je er wilt zijn.

Benieuwd naar alle inzichten uit het onderzoek? Bekijk hier de resultaten van het Koopstromenonderzoek 2025.

Zestig professionals bijeen voor vierde NML bijeenkomst

In de sfeervolle ruimte van De Zalen van Zeven verzamelden zich op donderdag 12 februari zo’n zestig professionals voor de vierde werkbijeenkomst van het Nationaal Masterplan Lopen (NML). Deze bijeenkomsten zijn inmiddels uitgegroeid tot een vaste ontmoetingsplek voor de partners van het NML: beleidsmakers, onderzoekers en ontwerpers die werk maken van meer ruimte voor lopen in Nederland.

De toon werd gezet met een prikkelende ‘walking beings’-column over toegankelijkheid van Wilma Slinger van CROW.  “Ach… voor die paar mensen… moeten we daar zoveel voor overhoop halen?” Een uitspraak die zij in het mobiliteitsveld nog geregeld hoort als het over toegankelijkheid gaat. ‘Maar,’ zo benadrukte ze, ‘ die ‘paar mensen’ tellen op landelijk niveau op tot minimaal twee miljoen individuen.’ Denk aan slechtzienden en blinden, mensen met motorische beperkingen, ouderen met valrisico en mensen met cognitieve beperkingen, zoals dementie of laaggeletterdheid. Haar oproep was helder: richt de openbare ruimte zo in dat iedereen mee kan doen.

Tijdens deze dagen wordt duidelijk hoeveel kennis en praktijkervaring er in het netwerk aanwezig is – en hoe waardevol het is om die met elkaar te verbinden. Dat bleek in de interactieve sessie ‘NML in actie!’, waarin deelnemers hulpvragen en dilemma’s inbrachten rond de verschillende actielijnen. Rond flip-overs ontstonden gesprekken waarin beleid, ontwerp en uitvoering elkaar direct vonden.  

Vervolgens maakten Joost de Kruijf (SmartWayZ) en Mireille Peters van het Nationaal Dataportaal Wegverkeer namen de zaal mee in de wereld van digitalisering van het loopnetwerk. Europese verplichtingen, het Digitaal Stelsel Mobiliteitsdata en de vraag hoe beleidsdoelen en data elkaar kunnen versterken kwamen uitgebreid aan bod.

Deelsessies van zebra’s tot binnensteden
In twee rondes gingen de deelnemers in deelsessies de diepte in. Onderwerpen varieerden van het met data in kaart brengen van bewandelbare paden en het vastleggen van voetgangersnetwerken tot actuele vragen over binnensteden, oversteekplaatsen en de balans tussen vergroening en voldoende doorloopruimte.

De sessie ‘Over oversteekplaatsen, hoezo geen zebra?’ draaide om de vraag wanneer en hoe een zebrapad kan worden toegepast om voetgangers een vlotte en veilige oversteek te bieden. Lieven Nijs (gemeente Rotterdam) en Emile Oostenbrink (CROW) begeleidden het gesprek. “Tijdens de eerste sessie werden we gewezen op een interessant Noors onderzoek naar schijnveiligheid van zebra’s,” aldus Nijs. “In de tweede sessie werd benadrukt dat zebra’s soms de enige plek zijn waar voetgangers écht voorrang krijgen – terwijl het anders bijna altijd de auto is.”

Het totale, fijnmazige netwerk van beloopbare infrastructuur in Nederland is sinds kort landsdekkend in (GIS)kaart gebracht in opdracht van Wandelnet. Mart Reiling (Track Landscapes) liet in zijn deelsessie zien hoe aan de hand van beschikbare data de kaarten zijn opgebouwd, welke informatie is ontsloten en vooral: welke nieuwe analyses hiermee gemaakt kunnen worden. Zo is nu veel scherper in beeld waar cruciale paden ontbreken om een ommetje in en rond de bebouwde omgeving te kunnen maken. De komende tijd wordt gewerkt aan een online ‘atlas’ waarmee de kaarten breder beschikbaar komen.

In de deelsessie ‘Concurrentie tussen groen en vrije doorloopruimte’ stond de zoektocht naar slimme ontwerpoplossingen centraal. Birgit Cannegieter (gemeente Utrecht) en Suzanne in ’t Veld (OKRA) lieten zien dat vergroening en goede loopruimte elkaar niet hoeven te bijten. Met voorbeelden van halfverharding, combinaties van verhard en groen en fijnmazige netwerken pleitten zij voor meer creativiteit en keuzevrijheid voor de voetganger. Normen kwamen aan bod, maar de rode draad was dat afwegingen beter op netwerk- en gebiedsniveau gemaakt kunnen worden dan op planniveau. Praktijkvoorbeelden uit onder meer Utrecht, Nijverdal en Mechelen maakten dit concreet.

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) presenteerde de stand van zaken van een onderzoek naar de beloopbaarheid van buurten in steden en dorpen. De focus ligt bij het lopen naar basisvoorzieningen. Daarbij hanteren ze de ‘capabilitybenadering’, die in beeld brengt in welke mate mensen (niet) kunnen lopen. Beperkingen kunnen bij mensen zelf liggen, maar ook in de inrichting van de samenleving. Bij de publieke ruimte gaat het dan bijvoorbeeld om nabijheid van voorzieningen en de beloopbaarheid van stoepen. De publicatie van het onderzoek wordt komend najaar of in 2027 verwacht.

De volgende werkbijeenkomst voor partners van het Nationaal Masterplan Lopen is op 11 juni 2026

Gemeente Utrecht zet in op echte voetgangersstad met Beleidsnota Voetganger

De gemeenteraad van Utrecht heeft op 26 februari de Beleidsnota Voetganger vastgesteld. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet richting een stad waar lopen vanzelfsprekend wordt in het dagelijks leven. De beleidsnota vertaalt bestaande ambities uit onder meer de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 en het Mobiliteitsplan 2040 naar concrete uitgangspunten voor de inrichting van de openbare ruimte. Daarmee krijgt de voetganger voor het eerst een duidelijke plek in het Utrechtse beleid.

Lopen hoort bij het dagelijks leven

In het voorwoord van de beleidsnota wordt de kern van het beleid meteen duidelijk: “We zijn allemaal voetgangers. Of we nu een ommetje maken, naar school lopen of de bus halen: lopen hoort bij ons dagelijks leven.”

Toch is de stad daar nog lang niet overal goed op ingericht. Op sommige plekken stopt de stoep plotseling, zijn oversteekplaatsen onduidelijk of is de ruimte te krap voor mensen met een kinderwagen, rolstoel of rollator. Met de nieuwe beleidsnota wil de gemeente Utrecht dat veranderen. Het doel is om lopen, net als fietsen, een vanzelfsprekende manier van verplaatsen te maken. Niet alleen voor recreatie, maar juist ook voor dagelijkse routes in de stad.

Groene Ommetjes in elke wijk

Een belangrijk onderdeel van het Utrechtse beleid zijn de Groene Ommetjes. Dit zijn aantrekkelijke wandelroutes door de wijk die woningen verbinden met voorzieningen zoals scholen, winkels, parken en sportplekken.

De ambitie is dat zo’n route voor iedereen binnen circa 100 meter van de voordeur bereikbaar is. Langs deze routes is aandacht voor schaduw, groen en plekken om even te zitten. Routes verbinden parken en andere groene plekken met elkaar en nodigen uit om vaker naar buiten te gaan.

Birgit Cannegieter – Couwenberg, coördinator Voetgangersaanpak bij de gemeente Utrecht, schrijft hierover op LinkedIn: “Stap voor stap bouwen we in Utrecht aan netwerken van Groene Ommetjes in de wijken. Daarmee nodigen we iedereen uit om er (vaker) lopend op uit te gaan.”

De routes worden niet alleen door de gemeente bepaald. Inwoners worden actief betrokken bij het aanwijzen en verbeteren van de routes in hun wijk. Zij kennen hun buurt immers het beste.

Van beleid naar straatniveau

De beleidsnota gaat niet alleen over ambities, maar ook over concrete keuzes in het ontwerp van de openbare ruimte. Zo maakt deze bijvoorbeeld concreet hoeveel ruimte voetgangers nodig hebben. De gewenste minimale vrije doorloopruimte is 2,20 meter, zodat mensen elkaar comfortabel kunnen passeren en ook voldoende ruimte hebben als zij een kinderwagen, rollator of rolstoel gebruiken. Drukkere routes kunnen breder worden ingericht, passend bij het aantal voetgangers.

Ook obstakels op stoepen krijgen aandacht. Objecten zoals lantaarnpalen, terrassen of laadpalen moeten zo geplaatst worden dat er voldoende vrije doorgang blijft voor voetgangers. Daarnaast wil de gemeente barrières in de stad beter aanpakken. Wegen, water en spoorlijnen kunnen voetgangersroutes namelijk onderbreken. Door betere oversteekplaatsen, bruggen of tunnels moeten wijken beter met elkaar verbonden worden.

Een stap richting een wandelvriendelijke stad

De beleidsnota is niet het eindpunt, maar een belangrijke tussenstap. De uitgangspunten voor voetgangersruimte worden de komende jaren verder uitgewerkt in ontwerpprincipes en richtlijnen voor de openbare ruimte. Daarmee wordt lopen structureel meegenomen in nieuwe projecten, herinrichtingen en gebiedsontwikkelingen.

Nieuwsgierig naar de volledige aanpak? Lees hier de volledige Beleidsnota Voetganger van de gemeente Utrecht.

Leidraad Toegankelijkheid helpt openbare ruimte op orde te krijgen

De nieuwe publicatie ‘Leidraad Toegankelijkheid’ van CROW is verschenen. Wegbeheerders vinden hierin aanknopingspunten voor het ontwerp, de inrichting en het beheer van de buitenruimte en voor het mogelijk maken van toegankelijke mobiliteit bij verschillende vervoerwijzen. Beleidmakers kunnen er kennis in opdoen over hoe je toegankelijkheid in een beleidsproces vormgeeft. Die samenhang tussen beleid en uitvoering is bepalend voor de mate waarin een openbaar gebied daadwerkelijk toegankelijk is.

Ga naar de leidraad

Voor professionals die zich bezighouden met lopen en loopbeleid bevat de leidraad belangrijke aanknopingspunten. Het document benadrukt dat de voetganger – lopend én rollend – het uitgangspunt moet zijn bij de inrichting van de openbare ruimte. Dat betekent onder meer werken met een helder voetgangersnetwerk (basis-, hoofd- en groen netwerk) en het vastleggen van minimale vrije doorloopruimtes: 2,00 meter op het basisnetwerk en 2,90 meter op het hoofdnetwerk. Ook vraagt de leidraad aandacht voor het voorkomen van (punt)vernauwingen, het organiseren van een duidelijke objectenstrook zodat de looplijn obstakelvrij blijft, en het waarborgen van logische en directe routes met zo min mogelijk omwegen.

Daarnaast staan kwaliteitseisen centraal die direct raken aan goed loopbeleid: begaanbaarheid voor mensen met en zonder hulpmiddel, begrijpelijke en consistente inrichting met gids- en geleidelijnen, voldoende ruimte om te passeren én te verblijven, en extra aandacht voor (val)veiligheid. Een aantrekkelijk en comfortabel ingerichte loopomgeving nodigt uit tot bewegen en vergroot de zelfstandige mobiliteit van inwoners.

De publicatie is een actualisatie van de Richtlijn Toegankelijkheid uit 2014 en speelt in op nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en voortschrijdende vakkennis. Daarmee biedt de leidraad een actueel kader om lopen een volwaardige plek te geven in mobiliteitsbeleid en gebiedsontwikkeling.

Webinars Leidraad toegankelijkheid
Het CROW organiseert vier webinars over de Leidraad Toegankelijkheid. Het eerste webinar op 17 maart geeft een algemene inleiding op de Leidraad met daar in ook aandacht voor wat verschillende doelgroepen nodig hebben. Op 8 oktober staat er een webinar gepland speciaal over fietsers en voetgangers.

GOW30: fijn voor de voetganger

Wie het online gesprek over mobiliteit de afgelopen tijd volgde, viel één ding op: GOW30 staat overal op de agenda. Gebiedsontsluitingswegen die worden ingericht voor maximaal 30 km per uur maken de openbare ruimte veiliger, waardoor lopen aantrekkelijker wordt.

Raakt ambities NML

We noemen GOW30 weliswaar niet expliciet in het Nationaal Masterplan Lopen, maar het raakt wel degelijk aan de ambities ervan. Lagere snelheden zorgen voor veiliger verkeerssituaties, doordat er minder snelheidsverschil is tussen de verschillende verkeersdeelnemers, auto’s eerder kunnen afremmen en voetgangers meer tijd hebben om over te steken. Dit zijn een aantal voorwaarden om fijn te lopen.

Onderzoek SWOV benadrukt belang van goede inrichting GOW30

De SWOV voert op dit moment een grootschalig onderzoek uit naar GOW30. De eerste fase van dit onderzoeksproject is net achter de rug en nu al kan ze concluderen dat er sprake is van een succes! Dat succes zit ‘m niet zozeer in het plaatsen van een 30 km-verkeersbord, maar in het ontwerp van de openbare ruimte die leidt tot een lagere snelheid.

SWOV: “Inrichtingskenmerken kunnen niet alleen bijdragen aan de herkenbaarheid van een type weg, maar hebben ook een directe invloed op het (snelheids)gedrag van weggebruikers. Zo hebben elementenverharding en de afwezigheid van as- en kantmarkering allebei een positief effect op zowel de herkenbaarheid als de geloofwaardigheid van een 30km/uur-limiet en daarmee het snelheidsgedrag. “

Kortom, alleen als de weg zo is vormgegeven dat 30 kilometer per uur logisch aanvoelt, verandert ook het gedrag van weggebruikers.

Van maatregel naar stedelijke keuze

Er is sprake van een spanning tussen beleid en praktijk, zo verwoordt Didier van Citters het treffend in zijn LinkedIn-bericht over Amsterdam. “Het verkeersbord veranderen is makkelijk, een stad opnieuw vormgeven niet.” Amsterdam verlaagde de snelheid op vrijwel alle gebiedsontsluitingswegen, maar staat nu voor de vraag hoe ze per straat een goede balans kan vinden tussen doorstroming, veiligheid en leefbaarheid.

Het ‘afwegingskader 30 km/h’ van onze partner CROW biedt handvatten om op een gestructureerde manier afwegingen te maken tussen verkeersveiligheid, doorstroming, leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit. Door expliciet te maken welke functies een weg vervult en welke ontwerpkeuzes daarbij passen, helpt het afwegingskader bij het bepalen of een GOW30 het beste past in een specifieke context.

Hulpmiddelen om afwegingen zichtbaar te maken

Van Citters en zijn studiegenoten onderzochten hoe overheden besluitvorming rond GOW30 kunnen verbeteren. In het kader van hun onderzoek ontwikkelden zij een digitale tool die ontwerpkeuzes inzichtelijk maakt en zo helpt bij beslissingen nemen. AI-gegenereerde straatbeelden maken zichtbaar wat verschillende scenario’s betekenen.

Haarlem kiest bewust en gefaseerd

Andere gemeenten maken ook steeds concretere keuzes. Haarlem kondigde aan stappen te zetten richting GOW30 op specifieke wegen. Niet overal tegelijk, maar op plekken waar functie en omgeving daarom vragen. Mobiliteit.nl beschrijft dat de Noord-Hollandse gemeente inzet op samenhang en zorgvuldige fasering, zodat snelheid en inrichting elkaar versterken.

De keuze tussen GOW30 en GOW50

De afweging tussen GOW30 en GOW50 speelt in veel gemeenten. Adviesbureau Exante beschrijft dat deze keuze niet zwart-wit is, maar afhankelijk van intensiteit, functie en context. Juist die nuance is belangrijk. Een geloofwaardige GOW30 vraagt om duidelijke keuzes, ook als dat betekent dat sommige wegen geen 30 kilometer per uur worden, omdat doorstroming bijvoorbeeld de hoogste prioriteit heeft.

Leren van de praktijk in Enschede

Ingenieursbureau StadLandWater liet GOW30 ervaren. Tijdens een klantendag in Enschede bezochten ze het project aan de Geessinkweg. In hun terugblik schrijven zij dat een effectieve GOW30 staat of valt met een geloofwaardig wegbeeld. Precies de puzzel die veel gemeenten nu hebben te leggen.

Wat GOW30 concreet betekent voor lopen

Voor voetgangers zijn de effecten van GOW30 zeer concreet. Bij 30 km per uur is de remweg overduidelijk korter, wat vooral bij oversteken verschil maakt. De kans op ernstig letsel bij ongevallen neemt sterk af. Daarnaast leidt de herinrichting vaak tot overzichtelijkere kruispunten, minder brede rijbanen en kortere oversteekafstanden. Door de lagere snelheid van 30 km per uur kunnen zebrapaden veiliger worden toegepast. Alles bij elkaar verbetert GOW30 de oversteekbaarheid voor voetgangers en krijgt de voetganger een veel veiliger en fijner gevoel.

>