Wie naar een stad kijkt, ziet straten, stoepen en gebouwen. Maar volgens filosoof Dirk-Jan Laan is dat nog geen ruimte. Ruimte ontstaat pas wanneer mensen zich bewegen. Dat inzicht zet aan tot anders kijken naar hoe we onze steden inrichten.
Drie opvattingen van ruimte
Laan beschrijft drie opvattingen van ruimte die impliciet aanwezig zijn in de inrichting van onze openbare ruimte. De absolute ruimte is de meest technische: een wereld van vierkante meters, afstanden en efficiëntie. De relatieve ruimte kijkt naar verschillen tussen gebruikers. Zo ziet de stad er voor een automobilist anders uit dan voor een fietser of voetganger. De relationele ruimte ontstaat pas wanneer mensen zich bewegen en handelen in de tijd.
“Het gaat niet zozeer om welke opvatting ‘waar’ is. Het is waardevol om de keuzes die gemaakt worden te onderkennen en te bevragen wat daarmee verloren gaat en gewonnen wordt,” aldus Laan. Deze opvattingen bestaan vaak naast elkaar, zonder expliciet benoemd te worden. Juist daardoor blijven ontwerpkeuzes vaak impliciet.
De stad bestaat pas als we bewegen
“Pas in een proces, waarbij de dimensie van tijd wordt toegevoegd, ontstaat ruimte.” Laan maakt dit concreet met een alledaags voorbeeld: iemand die zijn huis verlaat, naar de supermarkt loopt en onderweg een omweg maakt langs een park. Die wandeling is niet alleen een verplaatsing, maar vormt de ruimte zelf. Zonder beweging blijft de straat een verzameling objecten. Met beweging ontstaat een route, een ervaring en een plek.
Relationele ruimte laat zien dat ruimte niet vastligt, maar steeds opnieuw ontstaat in gebruik. Daardoor is die ruimte lastig te vangen in ontwerp. Want elke wandeling is anders. De route die de één kiest, is niet dezelfde als die van een ander, zelfs als ze op dezelfde plek beginnen.
Volgens Laan vraagt dat om een andere manier van inrichten. Niet alles vastleggen, maar ruimte laten voor wat er kan ontstaan. Het plein is daar een goed voorbeeld van: een open plek zonder vaste route, waar mensen zelf bepalen hoe ze bewegen en verblijven.
Ook het woonerf laat zien hoe dat in de praktijk werkt. Daar delen verschillende gebruikers dezelfde ruimte en ontstaat het gebruik in het moment. Tegelijkertijd heeft dat ook een keerzijde. Minder regels en structuur zorgen voor meer vrijheid, maar maken beweging ook minder voorspelbaar en vaak trager.
Eén straat, meerdere werkelijkheden
In de praktijk wordt ruimte vaak ingericht vanuit verschillende gebruikers. “Voor een voetganger zijn borden, bankjes en beplanting van grote waarde.” Dat perspectief verschilt sterk van dat van een automobilist, die vooral gebaat is bij overzicht en snelheid. Laan laat zien dat deze relatieve opvatting van ruimte de basis vormt van veel straten in Nederland. De ruimte wordt ingericht op basis van wie er gebruik van maakt.
Tegelijkertijd stelt hij de vraag waarom juist deze indeling zo vanzelfsprekend is. Waarom kijken we vooral naar vervoersmiddelen? En wat gebeurt er als je andere perspectieven centraal stelt?
Wat er gebeurt als efficiëntie leidend is
De absolute opvatting van ruimte maakt zichtbaar wat er gebeurt als efficiëntie centraal staat. De snelweg is daarvan het meest duidelijke voorbeeld. “Op de snelweg bestaat alleen de weg vooruit; de enige ruimte die bestaat is de afstand tot je bestemming die steeds kleiner wordt.” In zo’n omgeving draait alles om doorstroming en snelheid. Andere kwaliteiten, zoals verblijf of beleving, spelen nauwelijks een rol.
Dat laat zien dat elke opvatting van ruimte iets oplevert, maar ook iets uitsluit.
Anders kijken naar lopen
De analyse van Laan maakt zichtbaar dat ruimte het resultaat is van keuzes. Welke opvatting leidend is, bepaalt hoe onze straten en pleinen functioneren. Voor wie werkt aan een wandelvriendelijke leefomgeving is dat een relevante vraag. Want als lopen serieus wordt genomen, verschuift ook het perspectief van waaruit ruimte wordt ontworpen.
Daarmee sluit de manier waarop we ruimte bekijken en inrichten direct aan bij de ambitie van het Nationaal Masterplan Lopen: lopen een vanzelfsprekend onderdeel maken van mobiliteit en gebiedsontwikkeling.
Dit artikel is gebaseerd op een analyse van filosoof Dirk-Jan Laan op Gebiedsontwikkeling.nu.












