De gemeenteraad van Utrecht heeft op 26 februari de Beleidsnota Voetganger vastgesteld. Daarmee wordt een belangrijke stap gezet richting een stad waar lopen vanzelfsprekend wordt in het dagelijks leven. De beleidsnota vertaalt bestaande ambities uit onder meer de Ruimtelijke Strategie Utrecht 2040 en het Mobiliteitsplan 2040 naar concrete uitgangspunten voor de inrichting van de openbare ruimte. Daarmee krijgt de voetganger voor het eerst een duidelijke plek in het Utrechtse beleid.
Lopen hoort bij het dagelijks leven
In het voorwoord van de beleidsnota wordt de kern van het beleid meteen duidelijk: “We zijn allemaal voetgangers. Of we nu een ommetje maken, naar school lopen of de bus halen: lopen hoort bij ons dagelijks leven.”
Toch is de stad daar nog lang niet overal goed op ingericht. Op sommige plekken stopt de stoep plotseling, zijn oversteekplaatsen onduidelijk of is de ruimte te krap voor mensen met een kinderwagen, rolstoel of rollator. Met de nieuwe beleidsnota wil de gemeente Utrecht dat veranderen. Het doel is om lopen, net als fietsen, een vanzelfsprekende manier van verplaatsen te maken. Niet alleen voor recreatie, maar juist ook voor dagelijkse routes in de stad.
Groene Ommetjes in elke wijk
Een belangrijk onderdeel van het Utrechtse beleid zijn de Groene Ommetjes. Dit zijn aantrekkelijke wandelroutes door de wijk die woningen verbinden met voorzieningen zoals scholen, winkels, parken en sportplekken.
De ambitie is dat zo’n route voor iedereen binnen circa 100 meter van de voordeur bereikbaar is. Langs deze routes is aandacht voor schaduw, groen en plekken om even te zitten. Routes verbinden parken en andere groene plekken met elkaar en nodigen uit om vaker naar buiten te gaan.
Birgit Cannegieter – Couwenberg, coördinator Voetgangersaanpak bij de gemeente Utrecht, schrijft hierover op LinkedIn: “Stap voor stap bouwen we in Utrecht aan netwerken van Groene Ommetjes in de wijken. Daarmee nodigen we iedereen uit om er (vaker) lopend op uit te gaan.”
De routes worden niet alleen door de gemeente bepaald. Inwoners worden actief betrokken bij het aanwijzen en verbeteren van de routes in hun wijk. Zij kennen hun buurt immers het beste.
Van beleid naar straatniveau
De beleidsnota gaat niet alleen over ambities, maar ook over concrete keuzes in het ontwerp van de openbare ruimte. Zo maakt deze bijvoorbeeld concreet hoeveel ruimte voetgangers nodig hebben. De gewenste minimale vrije doorloopruimte is 2,20 meter, zodat mensen elkaar comfortabel kunnen passeren en ook voldoende ruimte hebben als zij een kinderwagen, rollator of rolstoel gebruiken. Drukkere routes kunnen breder worden ingericht, passend bij het aantal voetgangers.
Ook obstakels op stoepen krijgen aandacht. Objecten zoals lantaarnpalen, terrassen of laadpalen moeten zo geplaatst worden dat er voldoende vrije doorgang blijft voor voetgangers. Daarnaast wil de gemeente barrières in de stad beter aanpakken. Wegen, water en spoorlijnen kunnen voetgangersroutes namelijk onderbreken. Door betere oversteekplaatsen, bruggen of tunnels moeten wijken beter met elkaar verbonden worden.
Een stap richting een wandelvriendelijke stad
De beleidsnota is niet het eindpunt, maar een belangrijke tussenstap. De uitgangspunten voor voetgangersruimte worden de komende jaren verder uitgewerkt in ontwerpprincipes en richtlijnen voor de openbare ruimte. Daarmee wordt lopen structureel meegenomen in nieuwe projecten, herinrichtingen en gebiedsontwikkelingen.
Nieuwsgierig naar de volledige aanpak? Lees hier de volledige Beleidsnota Voetganger van de gemeente Utrecht.
Steeds meer gemeenten werken aan beleid waarin lopen een volwaardige plek krijgt in mobiliteit en stadsontwikkeling. Dat sluit aan bij de ambities uit het Nationaal Masterplan Lopen, waarin lopen wordt gezien als een vanzelfsprekende vorm van mobiliteit én als sleutel voor gezonde, toegankelijke en leefbare steden.
De Utrechtse Beleidsnota Voetganger laat zien hoe je die ambitie concreet maakt: met duidelijke ontwerprichtlijnen, een netwerk van aantrekkelijke looproutes en aandacht voor toegankelijkheid voor iedereen.