Smalle stoepen, onderbroken routes en voorzieningen die verder weg liggen dan prettig is. Lopen lijkt vanzelfsprekend, maar in de inrichting van de openbare buitenruimte is dat lang niet altijd het geval. Precies daarom is de nieuwe visie van het RIVM zo relevant. In Een gezonde inrichting van de openbare buitenruimte: vuistregels voor bewegen, groen en ontmoeten laat het RIVM zien hoe lopen expliciet kan worden meegenomen in ruimtelijke keuzes, met concrete, meetbare vuistregels.
Lopen vraagt om ruimte
Bewegen is alleen mogelijk als er daadwerkelijk ruimte voor is. Dat is één van de kernpunten van de RIVM-visie. Het RIVM stelt dat minimaal 25 procent van de openbare ruimte in een buurt primair ingericht zou moeten zijn voor bewegen. Daaronder vallen expliciet lopen, fietsen, spelen en sporten.
Dat is geen vrijblijvende ambitie. Uit analyses blijkt dat in de huidige situatie gemiddeld slechts 11 procent van de ruimte is gereserveerd voor lopen en fietsen. De vuistregels geven gemeenten daarmee een concreet richtpunt om het aandeel beweegvriendelijke ruimte structureel te vergroten.
Cas van Hardeveld (Wandelnet) vat het scherp samen: “In het kader van lopen en wandelen een zeer belangrijk rapport, juist een loopvriendelijke inrichting past als vanzelf in deze kaders.”
Voorzieningen op loopafstand
Naast ruimte gaat het om nabijheid. De visie werkt met duidelijke afstanden die aansluiten bij het dagelijks leven. Zo stelt het RIVM dat ieder huis binnen 800 meter loopafstand toegang zou moeten hebben tot basisvoorzieningen zoals een supermarkt, basisschool, huisartsenpraktijk en een OV-halte.
Voor beweeg- en sportvoorzieningen gelden kortere afstanden. Kinderen tot en met 12 jaar zouden binnen 200 meter een speelplek moeten hebben, terwijl voor jongeren en volwassenen een beweeg- of sportplek binnen 400 meter wenselijk is. Dit soort afstanden maakt lopen niet alleen mogelijk, maar ook logisch en aantrekkelijk.
Groen als onderdeel van looproutes
Groen speelt een belangrijke rol in de RIVM-visie, ook in relatie tot lopen. Een groenvoorziening binnen 300 meter loop- of fietsafstand van huis betekent dat de meeste mensen binnen 5 minuten een groene plek kunnen bereiken. Idealiter gebeurt dat via een aangename route, met schaduw en beschutting.
Het RIVM verwijst hierbij naar bestaande vuistregels, zoals de 3-30-300 regel*, en onderbouwt deze gezondheidskundig. Groen langs looproutes draagt bij aan verkoeling, stressreductie en nodigt uit om vaker en langer te lopen.
* De 3-3-300 regel houdt in: Zicht op 3 bomen, op buurtniveau is 30% schaduw, op 300 meter lopen is een groengebied van 0,5-1 ha.
Ontmoeten begint op de stoep
Lopen is meer dan verplaatsen. Tijdens het lopen ontstaan ontmoetingen, vaak spontaan en ongedwongen. De RIVM-visie benadrukt daarom het belang van bredere stoepen, comfortabele zitplekken en herkenbare oriëntatiepunten. Stoepen die breed genoeg zijn om even te blijven staan, maken een praatje mogelijk zonder dat anderen worden gehinderd.
De openbare ruimte fungeert op deze manier als decor voor het dagelijks leven, waarin lopen, ontmoeten en verblijven samenkomen.
Van visie naar praktijk
De kracht van deze RIVM-visie zit in de combinatie van wetenschap en toepasbaarheid. De vuistregels zijn niet verplicht, maar geven gemeenten en provincies een stevig, onderbouwd kader om gezondheid volwaardig mee te nemen in ruimtelijke plannen.
Voor Ruimte voor Lopen sluit deze visie naadloos aan bij het Nationaal Masterplan Lopen. Beide pleiten voor lopen als vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven en als serieuze factor in ontwerp en beleid. De RIVM-vuistregels helpen om dat verhaal concreet te maken, met cijfers, afstanden en duidelijke keuzes.
Bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Een gezonde inrichting van de openbare buitenruimte: vuistregels voor bewegen, groen en ontmoeten, RIVM-rapport 2025-0155.